Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3471

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
08-6155 WW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WW-dagloon. Niet-ontvanklijk verklaring hoger beroep. Geen procesbelang, aangezien WAO-uitkering ongewijzigd wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100% en appellant niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor een WW-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6155 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 september 2008, nr. 07/2294 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 12 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. T.A. Vetter, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 mei 2009 heeft mr. Vetter zich nogmaals tot de Raad gewend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 11 juni 2009, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene ontving een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij besluit van 6 juni 2007 is zijn WAO-uitkering met ingang van 28 februari 2007 ingetrokken. Hij wordt met ingang van 28 februari 2007 minder dan 15% arbeidsongeschikt geacht.

2. Naar aanleiding van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) is bij besluit van 15 juni 2007 aan betrokkene met ingang van 7 juni 2007 een loongerelateerde WW-uitkering toegekend welke – onder toepassing van artikel 13, zesde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen – is berekend naar een van het WAO-vervolgdagloon afgeleid dagloon van € 75,07. Bij besluit van 17 juli 2007 heeft appellant het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank – met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht – het beroep tegen het besluit van 17 juli 2007 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

4. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4.1. Betrokkene kan zich in deze uitspraak vinden.

4.2. Bij de in rubriek I genoemde brief van 11 mei 2009 heeft mr. Vetter de Raad het volgende medegedeeld. Bij een nadere beslissing op bezwaar van 24 februari 2009 heeft appellant, onder wijziging naar het besluit van 6 juni 2007, betrokkene alsnog met ingang van 7 juni 2007 een volledige WAO-uitkering toegekend. In dit nadere besluit is tevens het arbeidsongeschiktheidspercentage van betrokkene met ingang van 26 augustus 2008 herzien en verlaagd naar 25-35%. In het kader daarvan is aan betrokkene bij besluit van 2 maart 2009 met ingang van 26 augustus 2008 een WW-uitkering toegekend, waarbij het WW-dagloon wederom is afgeleid van het WAO-vervolgdagloon. Tegen dit laatste besluit loopt inmiddels een nieuwe bezwaarprocedure. Gelet op het bovenstaande heeft betrokkene geen belang meer bij het voeren van verweer in onderhavige zaak. Namens betrokkene wordt wel verzocht om een toekenning van proceskostenvergoeding.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Als gevolg van de in 4.2 vermelde gewijzigde beslissing op bezwaar van 24 februari 2009 bestaat er voor betrokkene geen recht op aanvullende WW-uitkering per datum aanvraag van 7 juni 2007. Het besluit van 2 maart 2009 waarbij aan betrokkene met ingang van 26 augustus 2008 een WW-uitkering is toegekend, waarbij het WW-dagloon wederom is afgeleid van het WAO-vervolgdagloon kan niet worden opgevat als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

5.2. Nu appellant betrokkene met ingang van 7 juni 2007 ongewijzigd volledig arbeidsongeschikt acht en zijn uitkering per die datum ongewijzigd heeft voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, heeft appellant naar het oordeel van de Raad geen belang meer bij een oordeel in hoger beroep over de aangevallen uitspraak. Hij wijst er daartoe op dat pas sprake is van voldoende procesbelang indien het resultaat dat met het hoger beroep wordt nagestreefd ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijk betekenis kan hebben. Een oordeel van de Raad over de in hoger beroep aangevoerde gronden kan voor appellant geen feitelijke betekenis hebben per de in geding zijnde datum van 7 juni 2007, nu betrokkene per 7 juni 2007 niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor een WW-uitkering. De Raad verklaart daarom het hoger beroep niet-ontvankelijk.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 483,-- in hoger beroep voor verleende bijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep tot een bedrag groot € 483,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 433,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en G.W.B. van Westen als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2009.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) C. de Blaeij.

mm