Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3415

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-11-2009
Datum publicatie
16-11-2009
Zaaknummer
09-893 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. De Raad heeft geen aanleiding om te oordelen dat er een onvoldoende zorgvuldig onderzoek is ingesteld naar de klachten en beperkingen van appellant. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om het standpunt over de belastbaarheid zoals (uiteindelijk) neergelegd in de FML van 17 januari 2007 onjuist te achten. Afdoende gemotiveerd dat de in hoger beroep aangedragen gronden en overgelegde medische informatie geen aanleiding geven het medische oordeel te wijzigen. Appellant heeft in hoger beroep geen andere medische gegevens of argumenten naar voren gebracht die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid. Ten slotte verenigt de Raad zich ook met het oordeel van de rechtbank dat, uitgaande van de juistheid van de voor hem in aanmerking genomen beperkingen, appellant per de datum in geding in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die behoren bij de bij de schatting betrokken functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/893 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 5 januari 2009, 07/2053 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met daarbij gevoegd een rapport van bezwaarverzekeringsarts J. Jonker van 18 maart 2009.

Bij brieven van 7 september 2009 en 21 september 2009 heeft de gemachtigde van appellant nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft in reactie hierop rapporten van bezwaarverzekeringsarts Jonker van 9 september 2009 en 24 september 2009 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2009. Appellant is, zoals tevoren schriftelijk was bericht, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.M.C. Höppener.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is werkzaam geweest als spanplafond-monteur. Op 27 april 1998 is hij uitgevallen wegens diverse lichamelijke en psychische klachten. Vervolgens is aan appellant in aansluiting op de wettelijke wachttijd met ingang van 26 april 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellant op 4 augustus 2006 onderzocht door de verzekeringsarts E. Soons, die in zijn rapport van dezelfde datum tot de conclusie gekomen is dat er lichte beperkingen zijn ten aanzien van de belastbaarheid van de rug en de nek. Soons ziet geen aanleiding om beperkingen aan te nemen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren en de belastbaarheid van de pols. De beperkingen zijn weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 4 augustus 2006. Daarna heeft de arbeidsdeskundige J. Claessens na functieduiding vastgesteld dat er geen sprake meer is van verlies aan verdienvermogen. Bij besluit van 3 oktober 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 5 november 2006 ingetrokken op de grond dat de arbeidsongeschiktheid van appellant is afgenomen naar minder dan

15%.

2. Bezwaarverzekeringsarts J.W. Heijltjes heeft appellant gezien tijdens een hoorzitting, informatie ingewonnen bij de behandelend sector en na weging van de beschikbare medische gegevens geconcludeerd dat er, gelet op de informatie van de huisarts en de psycholoog, enige psychische beperkingen noodzakelijk zijn. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts zijn bevindingen neergelegd de FML van 17 januari 2007. De bezwaararbeidsdeskundige H.J.M. Saris heeft in zijn rapport van 27 augustus 2007 geconcludeerd dat niet alle geduide functies in het licht van de gewijzigde FML geschikt zijn te achten. Met een theoretische schatting op basis van gewijzigde functieduiding heeft hij het verlies aan verdienvermogen bepaald op 50,13%. In lijn hiermee is bij besluit van 22 oktober 2007 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellant gegrond verklaard en is de WAO-uitkering per 5 november 2006 herzien naar de klasse 45 tot 55%.

3. De rechtbank heeft zich met zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen en het beroep ongegrond verklaard.

4.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Met name vindt appellant dat met zijn psychische beperkingen te weinig rekening is gehouden, en ook zijn te geringe beperkingen gesteld ten aanzien van de problemen in de onderrug, nek, schouders, polsen en rechterknie. Appellant stelt dat hij niet zo lang kan zitten als aangegeven en dat, gezien de uitputting als gevolg van de voortdurende ernstige pijnklachten, ten onrechte geen urenbeperking is gesteld. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant informatie van de huisarts en psycholoog ingediend.

4.2. De Raad overweegt als volgt.

4.3. De Raad komt niet tot een ander oordeel dan de rechtbank. De Raad stelt zich achter de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de onderzoeken en conclusies van de (bezwaar)verzekeringsarts. De Raad heeft geen aanleiding om te oordelen dat er een onvoldoende zorgvuldig onderzoek is ingesteld naar de klachten en beperkingen van appellant.

4.4. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om het standpunt over de belastbaarheid zoals (uiteindelijk) neergelegd in de FML van 17 januari 2007 onjuist te achten. Ten aanzien van de door appellant in hoger beroep geuite klachten is door de bezwaarverzekeringsarts Jonker in de rapporten van 18 maart 2009, 9 september 2009 en 24 september 2009 afdoende gemotiveerd dat de in hoger beroep aangedragen gronden en overgelegde medische informatie geen aanleiding geven het medische oordeel te wijzigen. De bezwaarverzekeringsarts heeft gesteld dat uit de medische informatie niet blijkt van een psychische aandoening in engere zin; wel is sprake van boosheid, machteloosheid en frustratie doch dat kan – hoe invoelbaar deze klachten ook mogen zijn – geen reden zijn om (aanvullende) beperkingen aan te nemen. Over de informatie met betrekking tot de behandeling op de polikliniek pijnbestrijding heeft de bezwaarverzekeringsarts opgemerkt dat hieruit geen nieuwe gezichtspunten naar voren komen. De Raad kan zich hierin vinden. Appellant heeft in hoger beroep geen andere medische gegevens of argumenten naar voren gebracht die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid.

4.5. Ten slotte verenigt de Raad zich ook met het oordeel van de rechtbank dat, uitgaande van de juistheid van de voor hem in aanmerking genomen beperkingen, appellant per de datum in geding in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die behoren bij de bij de schatting betrokken functies.

4.6. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) A.E. van Rooij.

EK