Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3412

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-11-2009
Datum publicatie
16-11-2009
Zaaknummer
08-4421 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewijzigde voortzetting WAO-uitkering (35 tot 45%). Juiste medische grondslag. Geen benoeming onafhankelijke deskundige. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies van verkoper detailhandel (sbc-code 517060), telefonist, receptionist (sbc-code 315120) en productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (sbc-code 111172) zijn in medisch opzicht geschikt voor appellant. Geen overschrijding belastbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/4421 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 19 juni 2008, 07/947

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. van Hoof, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 28 augustus 2008 heeft mr. N. Muntjewerff, advocaat te Hoorn, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met daarbij gevoegd een rapportage van 14 oktober 2008 van bezwaarverzekeringsarts J. Coehoorn, waarin deze heeft gereageerd op het beroepschrift.

Vervolgens heeft appellant bij brief van 9 september 2009 een aantal medische stukken ingestuurd. Hierop is door het Uwv gereageerd met het rapport van 17 september 2009 van bezwaarverzekeringsarts J. Coehoorn.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2009. Appellant is daarbij verschenen bij mr. A.M. Middelkoop, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Namens het Uwv is verschenen mr. P. Nicolai.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als fulltime field engineer. Voor deze werkzaamheden is hij op 14 mei 2003 uitgevallen tengevolge van whiplashklachten na een auto-ongeluk.

1.2. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd is aan appellant met ingang van 21 april 2004 een volledige uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend welke met ingang van 23 september 2004 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.3. Bij besluit van 10 oktober 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 30 november 2006 herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%.

2.1. In de bezwaarfase is onderzoek verricht door bezwaarverzekeringsarts Coehoorn. Deze arts is bij de hoorzitting aanwezig geweest en heeft de brief van 12 februari 2007 van psychiater C.F. Aalbersberg bij haar beoordeling betrokken. Na weging van de beschikbare medische gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 8 maart 2007 geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellant, zoals weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 10 mei 2006. Bezwaararbeidsdeskundige A.P.M. Kleijne heeft de geselecteerde functies opnieuw beoordeeld en in zijn rapport van 14 maart 2007 geconcludeerd dat alle geduide functies ongewijzigd passend kunnen worden geacht. Bij besluit van 19 maart 2007 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van

10 oktober 2006 ongegrond verklaard.

2.2. Tijdens de beroepsprocedure heeft het Uwv op 28 augustus 2007 een nieuwe beslissing op bezwaar ingezonden (hierna: bestreden besluit 2), waarin de beslissing op bezwaar van 19 maart 2007 wordt herroepen in die zin dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van 30 november 2006 ongewijzigd wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Daarbij is door het Uwv een aanvullend rapport van bezwaararbeidsdeskundige C. Wouters van 14 augustus 2007 overgelegd, waarin is geconcludeerd dat een aantal functies dient te vervallen wegens overschrijding van de belastbaarheid van appellant en dat er onvoldoende functies resteren om de schatting op te baseren. Na een selectie van nieuwe functies is het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 39,65%.

3.1. De rechtbank heeft, gelet op de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het beroep van appellant geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 wegens een gebrek aan procesbelang niet-ontvankelijk verklaard en daarbij beslissingen gegeven over proceskosten en griffierecht.

3.2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, het bestreden besluit 2 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 2 geheel in stand blijven. De rechtbank heeft bestreden besluit 2 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb vernietigd vanwege de omstandigheid dat pas in beroep met het aanvullende rapport van bezwaarverzekeringsarts J. Coehoorn van 14 februari 2008 de medische grondslag van bestreden besluit 2 voldoende was gemotiveerd. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit heeft de rechtbank vervolgens geheel in stand gelaten, nu naar haar oordeel het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en het besluit op een voldoende medische grondslag berust. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant in medisch opzicht ongeschikt te achten.

4. In hoger beroep - dat zich, mede gelet op het verhandelde ter zitting, in feite alleen richt tegen de instandlating door de rechtbank van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 2 - heeft de gemachtigde van appellant de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald. Appellant is van mening dat het Uwv onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar zijn neurologische en psychische klachten en dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een brief van psychiater Aalbersberg van 6 juni 2008 en een aantal andere medische stukken overgelegd.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2.1. De Raad heeft in het hoger beroep van appellant geen aanleiding gezien over de medische grondslag van bestreden besluit 2 een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de primaire verzekeringsarts beperkingen heeft aangenomen in de rubrieken persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, dynamische handelingen en statische houdingen. Bezwaarverzekeringsarts Coehoorn is bij de hoorzitting aanwezig geweest en heeft in haar rapport van 8 maart 2007 voldoende gemotiveerd waarom zij in de beschikbare medische gegevens geen aanleiding zag om de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde FML van 10 mei 2007 bij te stellen. De bezwaarverzekeringsarts heeft de overgelegde brief van psychiater Aalbersberg van 12 februari 2007 bij haar beoordeling betrokken en geconcludeerd dat uit de brief van Aalbersberg geen duidelijk ander psychisch ziektebeeld naar voren komt maar het ziektebeeld wel anders wordt gelabeld, namelijk als depressie in plaats van een aanpassingsstoornis. Ondanks deze diagnose is er geen sprake van een intensieve behandeling, appellant heeft één keer per maand een gesprek met de psychiater. Gelet hierop, en mede in aanmerking genomen dat er bij de psychiatrische expertise in juni 2004 geen diagnose werd gesteld en bij het neuropsychologisch onderzoek in december 2004 geen sprake was van een ernstig psychiatrisch ziektebeeld, heeft de bezwaarverzekeringsarts, die in haar reactie van 14 oktober 2008 stelde dat de klachten in 2004 grotendeels dezelfde waren als op de datum in geding, geen aanleiding gezien om meer beperkingen aan te nemen wat betreft het persoonlijk en sociaal functioneren.

5.2.2. De in hoger beroep door appellant overgelegde medische stukken geven eveneens geen aanleiding om te twijfelen aan de medische grondslag van bestreden besluit 2, aangezien daarin geen nieuwe medische gegevens naar voren komen die een ander licht werpen op de medische situatie van appellant ten tijde van de datum in geding. Voorts heeft bezwaarverzekeringsarts Coehoorn in haar aanvullende rapportages van 14 oktober 2008 en 17 september 2009 genoegzaam gemotiveerd waarom deze informatie geen aanleiding geeft om verdergaande beperkingen aan te nemen.

5.2.3. Gelet op het voorgaande onderschrijft ook de Raad de medische grondslag van bestreden besluit 2. Hierin ligt besloten dat de Raad geen aanknopingspunten ziet voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige.

5.3. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, evenmin grond om te oordelen dat de aan de schatting uiteindelijk ten grondslag gelegde functies van verkoper detailhandel (sbc-code 517060), telefonist, receptionist (sbc-code 315120) en productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (sbc-code 111172) in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn voor appellant. Met de arbeidskundige rapportage van 14 augustus 2007 heeft het Uwv genoegzaam toegelicht dat de genoemde functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijden.

5.4. Uit de overwegingen 5.2 en 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) F. Heringa.

JL