Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3410

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-11-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
08-4076 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. De Raad heeft geen aanknopingspunten gezien voor een ander oordeel over de medische grondslag van besluit 2 dan de rechtbank heeft gegeven. De Raad overweegt in dit verband dat hem niet is gebleken dat Heijltjes de in overweging 2 vermelde informatie van de behandelend sector op onjuiste wijze heeft verwerkt in de aangepaste FML. Voorts zijn in hoger beroep geen medische stukken ingediend op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat de belastbaarheid van appellant in de aangepaste FML op enig aspect is overschat. Wat betreft de gronden van appellant tegen de functies chauffeur bijzonder vervoer en telefonist/receptionist onderschrijft de Raad de in 6.2 vermelde reactie van Saris. Hij voegt daar – in lijn met zijn uitspraak van 8 augustus 2006 (LJN AY6390) – aan toe dat in beginsel van de juistheid van de aan het CBBS ontleende gegevens mag worden uitgegaan, tenzij die juistheid voldoende gemotiveerd wordt bestreden of indien de rechter zelf aan die juistheid twijfelt. Voor dit laatste ziet de Raad geen aanleiding terwijl van de zijde van appellant de juistheid van de reactie van Saris niet meer is bestreden. Inzake de functie telefonist ziet de Raad, gezien het Resultaat functiebeoordeling, geen aanleiding tot een ander oordeel als door de rechtbank gegeven.. Wat betreft de vordering van appellant tot vergoeding van de wettelijke rente, welke de Raad (mede) begrijpt als een grond tegen de aangevallen uitspraak en besluit 2 in die zin dat daarbij niet is beslist over die vordering, overweegt de Raad dat het niet langer handhaven van de intrekking van de WAO-uitkering bij het primaire besluit van 3 februari 2007 en de vaststelling bij besluit 2 van de mate van arbeidsongeschiktheid op de datum in geding als vermeld in overweging 4 meebrengen dat appellant in aanmerking komt voor vergoeding van de wettelijke rente over de nabetaling. In besluit 2 noch in de aangevallen uitspraak is beslist omtrent deze vordering. In zoverre dienen besluit 2 en de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Voor de wijze waarop het Uwv deze rente voorts dient te berekenen verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995 (LJN ZB1495).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4076 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 29 mei 2008, 07/1164

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Staal, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, gevestigd te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij overgelegd een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige H.J.M. Saris van 28 juli 2008.

Het onderhavige hoger beroep is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 2 oktober 2009. Partijen zijn – met kennisgeving – niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als internationaal vrachtwagenchauffeur voor gemiddeld 54,46 uur per week, toen hij zich met ingang van 5 september 2003 ziek meldde met psychische klachten. Nadien was tevens sprake van rugklachten, knieklachten, klachten passend bij een carpaal tunnelsyndroom links en een linker enkelfractuur. Aan appellant is na het doorlopen van de wettelijke wachttijd een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2. In het kader van een herbeoordeling is appellant op 10 oktober 2006 op het spreekuur geweest van de verzekeringsarts P.E.J. Verstraelen. Deze nam blijkens het rapport van zijn onderzoek van 12 oktober 2006 bij het onderzoek van de psyche geen afwijkingen waar ten aanzien van concentratie en zag voorts ook geen aanwijzingen voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Informatie werd ingewonnen bij de behandelend orthopedisch chirurg en de neuroloog. Na ontvangst hiervan, waarover Verstraelen berichtte op 20 en 23 november 2006, concludeerde hij dat appellant aangewezen was op pols- en enkelsparende werkzaamheden. De beperkingen, welke Verstraelen ook aannam voor het persoonlijk en sociaal functioneren, werden vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 15 januari 2007. Bij het arbeidskundig onderzoek werd na functieduiding vastgesteld dat er geen loonverlies was, waarna het Uwv bij besluit van 3 februari 2007 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 30 maart 2007 introk.

3. In de bezwaarprocedure, waarin appellant zich keerde tegen de vastgestelde FML, de maximering van de maatman op 38 uur en de motivering van de geduide functies, zette de bezwaarverzekeringsarts J.W. Heijltjes, die appellant telefonisch sprak, in een rapport van 3 juli 2007 uiteen waarom de FML aanscherping behoefde ten aanzien van de enkel en de al lang versleten knieën en dat in verband daarmee met het oog op de atypische lage rugklachten al sprake was van een rugsparend profiel. Een en ander legde Heijltjes neer in een FML van 4 juli 2007. Vervolgens verving de bezwaararbeidsdeskundige C.G.H.J. Habets blijkens een rapport van 5 juli 2007 een tweetal eerder geduide functies door twee bij het in overweging 2 vermelde arbeidskundig onderzoek reeds als reserve vermelde functies, liet de maximering van de maatman op grond van de uitspraak van de Raad van 2 maart 2007 (LJN AZ9652) achterwege en berekende het loonverlies op 61,30 %. Hierna verklaarde het Uwv bij besluit van 9 juli 2007 (hierna: besluit 1) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 februari 2007 gegrond en bepaalde zijn mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 30 maart 2007 op 55 tot 65%.

4. In beroep zette appellant zijn bezwaren tegen de (aangepaste) FML andermaal uiteen en ging hij in op de door Habets nader aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Mede naar aanleiding hiervan liet Habets in een rapport van 22 januari 2008 de chauffeursfunctie met SBC-code 282101 vallen, duidde uit die code een drietal functies bij, lichtte de signaleringen daarin toe en berekende het loonverlies op 67,65%. Dit leidde het Uwv tot het nemen van een gewijzigde beslissing op bezwaar van 22 januari 2008 (hierna: besluit 2) dat inhield dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van 30 maart 2007 werd gebaseerd op de klasse 65 tot 80%.

5.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen besluit 1 niet-ontvankelijk en het beroep tegen besluit 2 ongegrond. Tevens gaf de rechtbank beslissingen over vergoeding aan appellant van griffierecht en proceskosten.

5.2. De rechtbank onderschreef de medische grondslag van besluit 2. Zij zag in de beschikbare medische gegevens geen aanwijzingen voor ernstige psychopathologie die appellant zou belemmeren tot normaal intermenselijk verkeer in een werkomgeving, voor de juistheid van de stelling van appellant dat zijn medicatie hem zou beletten als chauffeur werkzaam te zijn en voor het aannemen van zwaardere eisen dan in de FML gesteld aan de afwisseling van houding. Wat betreft de geduide functies wees de rechtbank erop dat de functie telefonist/receptionist (SBC-code 315120) een kenmerkende belasting heeft ten aanzien van omgang met conflicten in schriftelijke en telefonische contacten maar dat appellant op dit aspect niet beperkt is.

6.1. In hoger beroep heeft appellant zijn eerder voorgebrachte gronden en argumenten in essentie herhaald. Daarbij wees appellant in het bijzonder op de totaalbelasting in de functies chauffeur bijzonder vervoer, nu het hier gaat om veelvuldige klantencontacten bij het bezorgen van warme maaltijden bij met name oude, hulpbehoevende mensen en bij bedrijven. Voorts vroeg appellant aandacht voor de baliecontacten in de functie telefonist/receptionist. Een en ander kan conflicten oproepen waarvoor appellant nu juist beperkt is. Ten slotte heeft appellant, evenals in bezwaar en beroep, om vergoeding van de wettelijke rente verzocht.

6.2. In reactie op het in 6.1 vermelde standpunt merkte de in rubriek I vermelde bezwaararbeidsdeskundige Saris op dat volgens het Resultaat functiebeoordeling van de chauffeursfuncties geen sprake is van conflicthantering en dat het standpunt van appellant ter zake berust op een aanname waarvan de juistheid op geen enkele wijze is aangetoond. Voorts beperkt blijkens het Resultaat functiebeoordeling de conflicthantering in de functie telefonist/receptionist zich tot conflicten in telefonisch of schriftelijk contact en beperkt het baliewerk zich tot ontvangst en doorgeleiding van bezoekers.

7.1. De Raad begrijpt het hoger beroep van appellant, naast de vordering betreffende wettelijke rente, griffierecht en proceskosten, als uitsluitend te zijn gericht tegen de ongegrondverklaring door de rechtbank van het beroep tegen besluit 2.

7.2. De Raad heeft geen aanknopingspunten gezien voor een ander oordeel over de medische grondslag van besluit 2 dan de rechtbank heeft gegeven. De Raad overweegt in dit verband dat hem niet is gebleken dat Heijltjes de in overweging 2 vermelde informatie van de behandelend sector op onjuiste wijze heeft verwerkt in de aangepaste FML. Voorts zijn in hoger beroep geen medische stukken ingediend op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat de belastbaarheid van appellant in de aangepaste FML op enig aspect is overschat.

7.3. Wat betreft de gronden van appellant tegen de functies chauffeur bijzonder vervoer en telefonist/receptionist onderschrijft de Raad de in 6.2 vermelde reactie van Saris. Hij voegt daar – in lijn met zijn uitspraak van 8 augustus 2006 (LJN AY6390) – aan toe dat in beginsel van de juistheid van de aan het CBBS ontleende gegevens mag worden uitgegaan, tenzij die juistheid voldoende gemotiveerd wordt bestreden of indien de rechter zelf aan die juistheid twijfelt. Voor dit laatste ziet de Raad geen aanleiding terwijl van de zijde van appellant de juistheid van de reactie van Saris niet meer is bestreden. Inzake de functie telefonist ziet de Raad, gezien het Resultaat functiebeoordeling, geen aanleiding tot een ander oordeel als door de rechtbank gegeven.

7.4. Wat betreft de vordering van appellant tot vergoeding van de wettelijke rente, welke de Raad (mede) begrijpt als een grond tegen de aangevallen uitspraak en besluit 2 in die zin dat daarbij niet is beslist over die vordering, overweegt de Raad dat het niet langer handhaven van de intrekking van de WAO-uitkering bij het primaire besluit van 3 februari 2007 en de vaststelling bij besluit 2 van de mate van arbeidsongeschiktheid op de datum in geding als vermeld in overweging 4 meebrengen dat appellant in aanmerking komt voor vergoeding van de wettelijke rente over de nabetaling. In besluit 2 noch in de aangevallen uitspraak is beslist omtrent deze vordering. In zoverre dienen besluit 2 en de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Voor de wijze waarop het Uwv deze rente voorts dient te berekenen verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995 (LJN ZB1495).

8. De Raad acht termen aanwezig het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij niet is beslist over de vordering van appellant betreffende vergoeding van wettelijke rente;

Verklaart het beroep tegen besluit 2 gegrond en vernietigt besluit 2 eveneens in zoverre;

Veroordeelt het Uwv tot vergoeding aan appellant van de wettelijke rente als aangegeven aan het slot van overweging 7.4;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, voorzover aangevochten;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 107,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) F. Heringa.

JL