Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3394

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
06-6191 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering (25-35%) (besluit 1). Nadat door de rechtbank een deskundige was ingeschakeld, is een nieuw besluit (2), (35-45%), genomen. Dit besluit berust op een bijgestelde FML en een nadere arbeidskundige onderbouwing. De rechtbank heeft besluit 1 vernietigd, omdat de door de rechtbank ingeschakelde deskundige meer beperkingen aangewezen acht dan het Uwv en het Uwv niet heeft gemotiveerd waarom niet alle door de deskundige aangegeven beperkingen worden overgenomen. Uwv heeft hoger beroep ingesteld. Door de Raad is ook een deskundige ingeschakeld. Volgens vaste rechtspraak dient het oordeel van een door de rechter ingeschakelde, onafhankelijke, deskundige te worden gevolgd. Geen aanleiding hiervan af te wijken. Deze deskundige verenigt zich met de door de (bezwaar)verzekeringsartsen vastgestelde belastbaarheid. Tot slot heeft de deskundige gesteld dat betrokkene zes van de zeven geduide functies moet kunnen uitoefenen. De medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit 2 is derhalve voldoende deugdelijk. Overschrijding redelijke termijn. Totale duur vijf jaar en vijf maanden. Heropening onderzoek. De Raad merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

Zie ook LJN BK3310.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/6191 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 september 2006, 05/283 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 11 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en daarbij een rapport met bijlage van 6 oktober 2006 van A. Mirza, bezwaarverzekeringsarts ingezonden.

Namens betrokkene heeft mr. D.S.C. Hes, advocaat te ’s-Gravenhage, een verweerschrift ingediend.

Bij rapport van 26 augustus 2008 heeft dr. C. la Lau, oogarts, vragen van de Raad beantwoord, waarop appellant door middel van het inzenden van een rapport van 29 september 2008 van Mirza voornoemd, heeft gereageerd.

De Raad heeft dr. H. Punt, oogarts te Utrecht, gevraagd van verslag en advies te dienen.

Voormelde deskundige heeft op 23 maart 2009 rapport uitgebracht.

Namens betrokkene is daarop bij brief van 13 mei 2009 gereageerd; in deze brief is tevens verzocht om schadevergoeding in verband met de lange duur van de procedure.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de gedingen 06/6192 en 07/4961, plaatsgevonden op 15 juli 2009. Namens appellant was J.M.W. Beers aanwezig. Betrokkene, die zelf niet is verschenen, heeft zich laten vertegenwoordigen door bovengenoemde gemachtigde.

Na de behandeling ter zitting heeft de Raad voormelde zaken gesplitst.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene, voorheen werkzaam als agrarisch medewerker, heeft in april 1998 bij een incident ernstig oogletsel aan het linker oog opgelopen. In verband daarmee heeft appellant hem met ingang van 29 april 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling heeft appellant bij besluit van 1 juni 2004 betrokkene medegedeeld dat de mate van diens arbeidsongeschiktheid per 15 juli 2004 wordt gesteld op 25 tot 35%. Daaraan ligt een onderzoek van een verzekeringsarts die de voor betrokkene geldende beperkingen heeft vastgelegd in een functionele mogelijkhedenlijst (FML) ten grondslag alsmede een rapport van een arbeidsdeskundige die een aantal voor betrokkene geschikte functies heeft geselecteerd. Namens betrokkene is op 9 juni 2004 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 juni 2004. Na ontvangst van een rapport van 26 november 2004 van de bezwaarverzekeringsarts A.C.J. Wever heeft appellant bij besluit van 7 december 2004 (hierna: het bestreden besluit 1) het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Namens betrokkene is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1. Daarbij is, onder meer, gesteld dat het medisch oordeel dat de basis vormt van dit besluit niet te rijmen valt met het eerdere oordeel van de verzekeringsarts van appellant (onder meer uit 2002) die in verband met het verminderde stereo – zien en diepte – zien rekening had gehouden met het daarmee samenhangende tempoverlies; juist laatstvermeld aspect is bij de laatste beoordeling – volgens betrokkene ten onrechte – buiten beschouwing gelaten.

3.1. De rechtbank heeft aanleiding gezien om de oogarts dr. La Lau voornoemd te verzoeken om omtrent de medische situatie van betrokkene te rapporteren. Deze heeft op 2 december 2005 en 6 februari 2006 rapport uitgebracht. Daarin vermeldt hij onder andere, dat bepaalde omstandigheden zoals hitte, kou alsmede stof en dampen beter vermeden kunnen worden in verband met een vergrote traanspiegel en dat in verband met de sterk verminderde oog- hand coördinatie de productiviteit van betrokkene beperkt zal zijn. Slechts de functies van huishoudelijk medewerker en inpakker achtte deze deskundige geschikt voor betrokkene.

3.2. De bezwaarverzekeringsarts Mirza voornoemd heeft blijkens haar rapport van 16 februari 2006 in het rapport van La Lau aanleiding gezien om de FML bij te stellen op de punten hitte, kou, stof, rook, gassen en dampen, maar geen reden gezien om verdergaande beperkingen aan te nemen. De arbeidsdeskundige D.L.A. Politon heeft vervolgens in het rapport van 1 maart 2006 aan de hand van de bijgestelde FML de geduide functies opnieuw bezien en geconcludeerd dat het verlies aan verdiencapaciteit van betrokkene alsnog op 38% moet worden gesteld; tevens heeft deze de signaleringen bij de geduide functies van een toelichting voorzien. Appellant heeft naar aanleiding van deze rapporten bij besluit van 6 maart 2006 (hierna het bestreden besluit 2) het bezwaar van betrokkene alsnog gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid per 15 juli 2004 vastgesteld op 35 tot 45% .

3.3. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 maart 2006 vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven over de vergoeding van griffierecht en van proceskosten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te zien om de conclusies van de deskundige La Lau omtrent de beperkingen van betrokkene niet te volgen. Nu deze meer beperkingen aangewezen acht dan appellant en appellant niet of onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet alle door de deskundige aangegeven beperkingen worden overgenomen, moet het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4. Appellant heeft in hoger beroep verwezen naar het rapport van 6 oktober 2006 van Mirza voornoemd. Deze geeft daarin aan dat bij het niet meer functioneren van een oog, na een gewenningsperiode, de functies van dit oog, met name het stereoscopisch zien, worden overgenomen door monoculaire reliefinformatie via het goede oog, zodat afgezien van enkele specifieke taken, de meeste werkzaamheden verricht kunnen worden. Ook de eventuele storende werking van het slechte oog op het goede, zo heeft zij in een nader rapport van 29 september 2008 aangegeven, kan met een eenvoudig hulpmiddel verholpen worden. Betrokkene heeft in verweer het standpunt van de rechtbank onderschreven en verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2. De Raad heeft aanleiding gezien om dr. Punt voornoemd om advies te vragen. Deze heeft in zijn rapport aangegeven dat ten aanzien van het goede (rechter) oog sprake is van een stabiele en normale visus. Hij heeft het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat na een gewenningsperiode het goede oog (een deel van) de taken van het uitgevallen oog overneemt, onderschreven en gesteld, dat het aannemelijk is dat in 2004 (en 2006) geen sprake (meer) was van een verminderde oog- hand coördinatie. Tevens kon hij zich verenigen met de door de (bezwaar)verzekeringsartsen vastgestelde belastbaarheid. Tot slot heeft de deskundige gesteld dat betrokkene zes van de zeven geduide functies moet kunnen uitoefenen.

5.3. Volgens vaste rechtspraak dient het oordeel van een door de rechter ingeschakelde, onafhankelijke, deskundige te worden gevolgd tenzij er sprake is van (zeer) bijzondere omstandigheden. De Raad ziet, nu naar zijn oordeel sprake is van een deugdelijk en voldoende gemotiveerd rapport, geen aanleiding om het standpunt van de deskundige Punt niet te onderschrijven. Dit betekent dat appellant voldoende beperkingen in de FML heeft opgenomen en er onvoldoende basis bestaat tot het aannemen van verdergaande beperkingen. De Raad merkt daarbij nog op dat ook uit het rapport van La Lau, die twee functies wel geschikt acht voor betrokkene, valt af te leiden dat de door hem bedoelde extra beperkingen sterk functie-gebonden zijn en gekoppeld zijn aan het verrichten van bepaalde taken. Als voorbeeld noemt La Lau onder andere het halen van een draad door een naald. Niet is gebleken dat taken die een heel specifieke oog- hand coördinatie vergen in de geduide functies in overwegende mate voorkomen. Het hoger beroep, dat met name op dit aspect was gericht, slaagt derhalve in zoverre.

5.4. Aldus uitgaande van de juistheid van de in de FML opgenomen beperkingen is het voor de Raad genoegzaam aannemelijk dat de geduide functies in medisch opzicht geschikt zijn voor betrokkene. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn eerder genoemde rapport van 1 maart 2006 een afdoende toelichting geven op de in de geduide functies voorkomende signaleringen met betrekking tot eventuele overschrijdingen van de belastbaarheid.

5.5. De medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit 2 is derhalve voldoende deugdelijk. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden vernietigd behoudens voor zover daarbij beslissingen zijn gegeven omtrent de betaling van griffierecht en het vergoeden van proceskosten. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 moet ongegrond worden verklaard.

6.1. Namens betrokkene is, als hiervoor aangegeven, bij brief van 13 mei 2009 verzocht om vergoeding van schade in verband met de lange duur van de procedure, waarbij betrokkene het oog heeft op schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

6.2. De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 voornoemd is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de gehele procedure en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene.

6.3. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken als deze in beginsel niet overschreden indien de procedure als geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. In deze uitspraak heeft de Raad tevens overwogen dat de behandeling van het bezwaar in beginsel ten hoogste een half jaar, de procedure in beroep ten hoogste anderhalf jaar en de procedure in hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel indien deze niet langer dan drieëneenhalf jaar heeft geduurd.

6.4. Voor het voorliggende geval betekent dit, dat vanaf de ontvangst door appellant van het bezwaarschrift op 10 juni 2004 tot aan de datum van deze uitspraak vijf jaar en vijf maanden zijn verstreken. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is met een jaar en vijf maanden overschreden. Van dit tijdsverloop heeft het tijdvak tussen de ontvangst van het bezwaar en het nemen van het bestreden besluit 1 op 7 december 2004 iets minder dan een half jaar geduurd, de behandeling van het beroep heeft vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 14 januari 2005 tot de uitspraak van de rechtbank van 20 september 2006 en jaar en acht maanden geduurd en de behandeling van het hoger beroep heeft tussen de ontvangst van het hoger beroepschrift op 31 oktober 2006 tot de datum van deze uitspraak drie jaar en 11 dagen geduurd. Aan het voorgaande kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn is overschreden in de rechterlijke fase.

6.5. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking, dat in deze procedure voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding in verband met een eventuele overschrijding van de redelijke termijn. Dit geeft aanleiding het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

7. De Raad acht geen termen aanwezig een der partijen te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak behoudens voor zover daarbij beslissingen zijn gegeven omtrent de betaling van griffierecht en de vergoeding van proceskosten;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond;

Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder nummer 09/6032 BESLU ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek om de gevraagde schadevergoeding in verband met een mogelijke overschrijding van de redelijke termijn en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door H.Bolt als voorzitter en J. Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 november 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

CVG