Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3383

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2009
Datum publicatie
16-11-2009
Zaaknummer
08-801 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Niet woonachtig op het opgegeven adres. De brief van 18 juli 2006 is een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, aangezien die brief op rechtsgevolg is gericht. Met ingang van 7 februari 2001 heeft appellant geen recht meer op bijstand. Wijziging bestaande rechtsverhouding tussen partijen. Met het besluit van 3 augustus 2006 waarbij ten voordele van belanghebbende de ingangsdatum van de intrekking is gesteld op 7 februari 2002 worden geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven geroepen over de periode na de nieuwe ingangsdatum. De werking van het intrekkingsbesluit van 18 juli 2006 strekt zich immers ook uit over de periode na 7 februari 2002. Instandlating rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010, 3

Uitspraak

08/801 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 december 2007, 06/4947 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 10 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.H. Blom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Blom. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 7 augustus 2001 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Op 16 november 2005 hebben ambtenaren van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam een huisbezoek afgelegd op het door appellant opgegeven adres. Appellant is daarbij niet aangetroffen, maar wel zijn moeder. Zij heeft onder meer verklaard dat appellant geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, dat het opgegeven adres diens postadres is en dat hij bij vrienden verblijft of bij haar op de bank slaapt. Verder heeft zij verklaard dat appellant in het verleden een kamer had in de woning, maar dat door een verbouwing tot tweekamerwoning de woning te klein is voor twee personen en dat appellant afgezien van zijn administratie geen persoonlijke spullen in de woning heeft. Appellant is opgeroepen voor een gesprek, maar dit heeft hij afgezegd omdat hij een operatie moest ondergaan. In verband daarmee is op 29 november 2005 een telefoongesprek gevoerd met appellant. Hij heeft daarin verklaard dat hij niet altijd op het opgegeven adres verblijft, dat dit zijn postadres is, dat hij zwerft omdat hij nog geen eigen woning heeft en bij vrienden buiten en binnen Amsterdam verblijft.

1.3. In juni en juli 2006 heeft de Afdeling Controle en Opsporing van de DWI een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand.

In dat kader is dossieronderzoek gedaan, is diverse instanties om inlichtingen verzocht en is een huisbezoek aan het door appellant opgegeven adres gebracht en zijn de moeder van appellant en appellant zelf gehoord. Bij het huisbezoek is appellant niet aangetroffen. Zijn moeder heeft bij die gelegenheid onder meer de in 1.2 weergegeven verklaring herhaald en daaraan toegevoegd dat appellant sinds augustus 2001 nog hooguit drie maanden in de woning heeft verbleven. Appellant heeft tijdens een verhoor verklaard dat hij alleen de eerste zes maanden dat hij een uitkering ontving op het opgegeven adres verbleef, dat hij nadien vier dagen per maand op dat adres verblijft, dat hij daar geen kleding heeft en dat zijn kleding ligt in Weesp en Hilversum.

1.4. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 juli 2006. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij brief van 18 juli 2006 aan appellant mee te delen dat hij met ingang van 7 februari 2001 geen recht meer heeft op bijstand omdat appellant met ingang van die datum niet op het door hem bij het College opgegeven adres woont. In die brief is meegedeeld dat een zogenoemd beëindigingsonderzoek wordt gestart om na te gaan met ingang van welke datum precies appellant geen recht meer op bijstand heeft. Tegen deze brief heeft appellant op 31 juli 2006 bezwaar gemaakt, dat het College op 1 augustus 2006 heeft ontvangen.

1.5. Op basis van de uitkomsten van het beëindigingsonderzoek heeft het College bij besluit van 3 augustus 2006 de bijstand ingetrokken met ingang van 7 februari 2002.

1.6. Bij besluit van 7 september 2006 heeft het College beslist op het bezwaarschrift van 31 juli 2006. Het College heeft daarbij overwogen dat het bezwaar is gericht tegen de beslissing van 18 juli 2006 en dat die beslissing bij de beslissing van 3 augustus 2006 is gewijzigd in die zin dat de bijstand van appellant niet met ingang van 7 februari 2001, maar met ingang van 7 februari 2002 wordt ingetrokken. Het College heeft het bezwaar vervolgens ongegrond verklaard en het besluit van 18 juli 2006 gehandhaafd daarbij overwegende dat - nu appellant zijn hoofdverblijf niet had op het door hem bij het College opgegeven adres - de bijstand met ingang van 7 februari 2002 wordt ingetrokken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 september 2006 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de brief van 18 juli 2006 geen ondubbelzinnig en definitief rechtsgevolg teweeg brengt, dat dit eerst is geschied bij het besluit van 3 augustus 2006, zodat de brief van 18 juli 2006 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het besluit 3 augustus 2006 wel. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellant ten tijde van het indienen van het bezwaar redelijkerwijs kon menen dat het besluit van 3 augustus 2006 ten tijde van het indien van het bezwaar al wel reeds tot stand gekomen was, dat het bezwaar dan ook mede geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 3 augustus 2003 en dat het besluit op bezwaar van 7 september 2006 moet worden geacht (mede) een reactie te zijn op dat bezwaar.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij bestrijdt in hoger beroep wederom dat hij zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Ter zitting heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de intrekking van bijstand in strijd is met vertrouwensbeginsel.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 15 januari 2008, LJN BC2889 dat de brief van 18 juli 2006 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, aangezien die brief op rechtsgevolg is gericht. In die brief is immers op niet voor tweeërlei uitleg vatbare wijze neergelegd dat appellant met ingang van 7 februari 2001 geen recht op bijstand meer heeft. Daarmee wordt de tussen partijen bestaande rechtsverhouding gewijzigd. Dit wordt niet anders door de daarop volgende passages met informatie over een uit te voeren nader onderzoek.

4.2. De Raad is voorts van oordeel, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 14 juli 2009, LJN BJ4437, dat bij het besluit van 3 augustus 2006 waarbij ten voordele van belanghebbende de ingangsdatum van de intrekking is gesteld op 7 februari 2002 geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven worden geroepen over de periode na de nieuwe ingangsdatum. De werking van het intrekkingsbesluit van 18 juli 2006 strekt zich immers ook uit over de periode na 7 februari 2002.

4.3. De rechtbank heeft hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen niet onderkend.

De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit op bezwaar van 7 september 2006 beoordelen.

4.4. De Raad stelt vast dat appellant bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit 18 juli 2006. Het hangende dat bezwaar genomen besluit van 3 augustus 2006 moet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. Aangezien met het besluit van 3 augustus 2006 niet geheel is toegekomen aan het bezwaar van appellant wordt het bezwaar met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 3 augustus 2006. Het College heeft dan ook terecht het besluit van 3 augustus 2006 in de heroverweging betrokken.

4.5. De Raad begrijpt het besluit op bezwaar van 7 september 2006 aldus dat het College het besluit van 18 juli 2006, zoals dat is gewijzigd bij het besluit van 3 augustus 2006, heeft heroverwogen. Het resultaat van die heroverweging is geweest dat het bezwaar tegen het gewijzigde besluit ongegrond is verklaard en het gewijzigde besluit is gehandhaafd.

4.6. De Raad stelt vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van 18 juli 2006 (LJN AY5142) - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. In aanmerking genomen dat bij het primaire besluit van 18 juli 2006 de bijstand met ingang van 7 februari 2001 is ingetrokken en de ingangsdatum nadien bij het besluit van 3 augustus 2006 is gewijzigd in 7 februari 2002 betekent het voorgaande dat ter beoordeling voorligt de periode van 7 februari 2002 tot en met 18 juli 2006.

4.7. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.8. De Raad is van oordeel dat er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het College dat appellant ten tijde hier van belang niet woonde op het door hem opgegeven adres. Uit zijn eigen verklaring en die van zijn moeder volgt dat immers zonneklaar. De omstandigheid dat geen ander woonadres bestaat of bekend is, leidt er niet toe dat appellant zijn woonadres op het opgegeven adres heeft behouden, ook al gebruikte hij dat als postadres en verbleef hij er enkele dagen per maand en tijdens de vakanties van zijn moeder.

4.9. De Raad volgt appellant niet in zijn betoog dat hij omtrent zijn woon- en verblijfplaats steeds juiste mededelingen heeft gedaan aan het College en dus zijn inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Uit de tot het dossier behorende rapportages blijkt wel dat appellant het voornemen heeft geuit om een woonadres elders te zoeken, dat hij woonruimte problemen had of veel bij vrienden verbleef, maar niet dat hij niet meer woonde op het door hem bij het College opgegeven adres. Eerst in het telefoongesprek van 29 november 2005 heeft hij meegedeeld te zwerven en het opgegeven adres als postadres te gebruiken. Hij heeft echter bij die gelegenheid, noch later, meegedeeld waar hij dan wel in Amsterdam of elders verbleef. Dit leidt tot de conclusie dat appellant in de hier van belang zijnde periode zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.10. De Raad stelt vast dat het College de intrekking uitsluitend heeft gebaseerd op de vaststelling dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid (tekst tot 1 januari 2008), van de WWB niet naar behoren is nagekomen. Zoals de Raad reeds herhaaldelijk heeft overwogen, levert dat enkele feit echter geen toereikende grond op voor herziening of intrekking van de bijstand. Daarvoor is immers tevens vereist dat komt vast te staan dat als gevolg van een vastgestelde schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand is verleend, dan wel dat het recht op bijstand niet (meer) kan worden vastgesteld.

Het beroep tegen het besluit van 7 september 2006 is daarom gegrond. Dat besluit moet worden vernietigd wegens strijd met wet.

4.11. De Raad zal, om te komen tot finale geschilbeslechting, onderzoeken of termen aanwezig zijn om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.12. Naar het oordeel van de Raad heeft de schending van de inlichtingenverplichting tot gevolg gehad dat het recht op bijstand van appellant over de hier te beoordelen periode niet is vast te stellen, omdat geen duidelijkheid is verkregen omtrent zijn woon- of verblijfplaats in die periode. Dat betekent dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was tot intrekking van de bijstand met ingang van 7 februari 2002.

4.13. De Raad volgt niet het betoog van appellant dat het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan intrekking van de bijstand vanaf 29 november 2005. Weliswaar heeft appellant tijdens het telefoongesprek op die datum meegedeeld, dat hij niet op door hem bij het College opgegeven adres woonde, maar hij kon aan het doen van die mededeling niet het vertrouwen ontlenen dat het College vanaf die datum de bijstand niet zou intrekken.

Dit volgt reeds uit de hem in dat gesprek gedane mededeling dat zijn woonsituatie in een nader gesprek uitgebreid aan de orde zou komen.

4.14. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van intrekking gehanteerde beleid. In hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van het beleid had moeten afwijken.

4.15. Dit voert tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 7 september 2006;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644, te betalen aan de griffier van de Raad en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-- te betalen aan appellant;

Bepaalt dat het College aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.N.A. Bootsma en O.L.H.W.I. Korte als leden in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2009.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

RB