Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3374

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2009
Datum publicatie
16-11-2009
Zaaknummer
08-286 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing (nieuwe) aanvraag na eerdere intrekking bijstand. Zo er na de bevindingen van het huisbezoek bij het College nog twijfels bestonden over de woonsituatie van appellante, dan lag het naar het oordeel van de Raad op zijn weg om nader onderzoek te doen, bijvoorbeeld door de tijdens het huisbezoek door de aanwezige personen afgelegde verklaringen te verifiëren. Dat heeft het College echter niet gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010, 16

Uitspraak

08/286 WWB (rectificatie)

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 december 2007, 07/958 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 3 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Schuckink Kool, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2009. Voor appellante is verschenen mr. Schuckink Kool. Het College heeft zich – met voorafgaand bericht – niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sedert 17 februari 2003 bijstand naar de norm voor een alleenstaande laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). In de bevindingen van twee huisbezoeken op het door haar opgegeven adres [adres] te

[woonplaats], onder meer op 13 februari 2006, heeft het College aanleiding gezien om direct aansluitend aan een gesprek met appellante op 2 juni 2006 opnieuw een huisbezoek op het opgegeven adres af te leggen. Appellante wenste hieraan geen medewerking te verlenen, waarop het College haar bijstand bij besluit van 7 juni 2006 met ingang van 2 juni 2006 heeft beëindigd (lees: ingetrokken). Het daartegen door appellante gemaakte bezwaar heeft het College bij besluit van 6 september 2006 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellante geen beroep ingesteld.

1.2. Appellante heeft op 7 augustus 2006 een nieuwe aanvraag om bijstand naar de norm voor een alleenstaande ingediend. In het kader daarvan heeft op 13 september 2006 een huisbezoek plaatsgevonden. Naar aanleiding van de bevindingen van dit huisbezoek, neergelegd in een rapportage van 14 september 2006, heeft het College bij besluit van

20 september 2006 de aanvraag om bijstand afgewezen.

1.3. Bij besluit van 8 januari 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 20 september 2006 ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat uit het huisbezoek op 13 september 2006 naar voren is gekomen dat de woonsituatie van appellante onduidelijk is. Daarbij wordt aangetekend dat al eerder twijfels waren gerezen over haar woonsituatie omdat tijdens een huisbezoek op 13 februari 2006 meerdere slaapplaatsen waren aangetroffen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 januari 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad ligt het, indien een periodieke bijstandsuitkering is beëindigd of ingetrokken, in geval van een aanvraag gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat er sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

4.2. Anders dan appellante heeft gesteld, is er niet reeds sprake van een wijziging in de omstandigheden in de hiervoor bedoelde zin omdat zij - in tegenstelling tot het huisbezoek op 2 juni 2006 - wel aan het huisbezoek op 13 september 2006 heeft meegewerkt. Het niet meewerken aan het huisbezoek op 2 juni 2006 heeft immers tot gevolg gehad dat de bij het College gerezen twijfels over haar woonsituatie niet waren weggenomen. De op appellante rustende bewijslast betreft dan ook haar woonsituatie in de hier relevante periode van 7 augustus 2006 (datum aanvraag) tot en met 20 september 2006 (datum primair besluit).

4.3. Blijkens het rapport van het huisbezoek op 13 februari 2006 bevond ook de zus van appellante zich op dat moment in de woning. Bij dat huisbezoek werd voorts onder meer een stapel matrassen aangetroffen. Over een bed, een bureau en een computer die eveneens werden aangetroffen verklaarde appellante dat deze spullen van haar zus waren en deze door haar zus binnenkort zouden worden meegenomen naar haar eigen woning. Uit de rapportage van 6 juni 2006, die is opgemaakt na de weigering van appellante om medewerking te verlenen aan een huisbezoek op 2 juni 2006, blijkt dat ook nog een huisbezoek had plaatsgevonden omdat iemand anders op het adres van appellante bijstand had aangevraagd. Uit dat huisbezoek is naar voren gekomen dat er een man op een matras in de woonkamer sliep. Deze bevindingen, in samenhang bezien met die van het huisbezoek op 13 februari 2006, hebben bij het College twijfel doen rijzen over de woonsituatie van appellante.

4.4. Tijdens het huisbezoek op 13 september 2006 is, zo blijkt uit de rapportage van 14 september 2006, geen stapel matrassen meer aangetroffen, maar wel een ledikant en een - beslapen - tweepersoonsmatras, alsmede diverse bergen kleding en meerdere paren schoenen. Ook werden de aan de zus van appellante toebehorende spullen die tijdens het huisbezoek op 13 februari 2006 in de woning stonden weer aangetroffen. Verder bevonden zich naast appellante vier andere personen in de woning. Dit waren de - ook al tijdens het huisbezoek op 13 februari 2006 aanwezige - zus van appellante met twee vriendinnen en een man die op de bank zat te eten en verklaarde op bezoek te zijn. Appellante heeft tijdens het huisbezoek verklaard dat haar zus iedere dag bij haar eet.

4.5. Om welke reden de woonsituatie op basis van deze bevindingen onduidelijk zou zijn en wat van appellante werd verwacht om haar woonsituatie te verduidelijken, blijkt echter niet uit de rapportage van 14 september 2006 en evenmin uit het besluit van 8 januari 2007. Naar het oordeel van de Raad zijn de aanwezigheid van meerdere personen tijdens het huisbezoek op 13 september 2006, de tijdens dat huisbezoek aangetroffen slaapplaatsen, kleding/schoenen en spullen van appellantes zus en de verklaring van appellante dat haar zus elke dag bij haar eet, noch op zichzelf, noch in samenhang beschouwd voldoende om aan te nemen dat op het adres van appellante ook andere personen dan appellante zelf, bijvoorbeeld haar zus, woonachtig waren. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat de tijdens het huisbezoek aanwezige personen hebben verklaard waar zij woonden en waarom zij zich in de woning van appellante bevonden en dat het College heeft vastgesteld dat de zus van appellante in de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven op het adres dat zij had opgegeven. Zo er na de bevindingen van het huisbezoek bij het College nog twijfels bestonden over de woonsituatie van appellante, dan lag het naar het oordeel van de Raad op zijn weg om nader onderzoek te doen, bijvoorbeeld door de tijdens het huisbezoek door de aanwezige personen afgelegde verklaringen te verifiëren. Dat heeft het College echter niet gedaan.

4.6. Uit hetgeen is overwogen onder 4.5 volgt dat het besluit van 8 januari 2007 niet op een deugdelijke motivering berust. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend, zal de Raad met vernietiging van de aangevallen uitspraak en doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen het beroep tegen het besluit van 8 januari 2007 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het College zal met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen een nieuw besluit op het bezwaar van appellante dienen te nemen. Daarbij zal het College tevens een beslissing dienen te nemen voor de vergoeding van de kosten in bezwaar.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 8 januari 2007;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit neemt op het bezwaar tegen het besluit van 20 september 2006;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--;

Bepaalt dat het College aan appellante het door haar in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2009.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) W. Altenaar.

RB