Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3363

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-11-2009
Datum publicatie
16-11-2009
Zaaknummer
08-3888 WIA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling WGA-uitkering. Juiste medische grondslag. De Raad ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het Uwv onzorgvuldig heeft gehandeld door zich bij de vaststelling van de belastbaarheid van appellant naast de onderzoeken van de (bezwaar)verzekeringsartsen mede te baseren op de beschikbare schriftelijke informatie van de cardioloog. Juiste geschiktheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/3888 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 14 mei 2008, 07/1190 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en daarbij een medisch stuk overgelegd.

Appellant heeft een vraag over overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep beantwoord.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij het verslag van een hoorzitting van 16 december 2008 in een andere procedure gevoegd. Appellant heeft hierop gereageerd onder bijvoeging van een tweetal stukken uit die andere procedure.

Appellant heeft bij brief van 3 september 2009 de gronden van zijn hoger beroep nader aangevuld. Het Uwv heeft nog enkele stukken uit die andere procedure overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2009.Appellant is – met kennisgeving – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Klaver.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was laatstelijk werkzaam als bedrijfsleider voor 37 uur per week en meldde zich met ingang van 20 september 2005 vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet arbeidsongeschikt vanwege een hartinfarct.

2. Naar aanleiding van de aanvraag van appellant om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is appellant op 3 juli 2007 onderzocht door de verzekeringsarts A. van der Weele. Blijkens een rapport van 30 juli 2007 ontving deze arts een brief van de appellant behandelende cardioloog van 13 november 2006. Hierin is vermeld dat appellant bij koude en zwaardere inspanning duidelijk pré-cordiale klachten aangaf, dat appellant in staat is tot een gedoseerde inspanning en dat hij bij zwaardere inspanning al snel een hypertensief bloeddrukbeloop heeft. Gelet op deze informatie en de bevindingen bij het onderzoek achtte de verzekeringsarts appellant geschikt voor lichamelijk weinig belastend werk waarin niet veel sprake is van stress, hectiek en grote verantwoordelijkheid. Deze conclusie vond uitwerking in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 30 juli 2007. Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek na functieduiding berekend dat het verlies van verdienvermogen 36,94% bedroeg. Hierna nam het Uwv het besluit van 10 augustus 2007 waarbij werd vastgesteld dat appellant vanaf 18 september 2007 recht had op een WGA-uitkering.

3. In de bezwaarprocedure stelde bezwaarverzekeringsarts G.J. Dreijer bij haar eigen spreekuuronderzoek op 30 oktober 2007 vast dat er geen aanwijzingen waren voor een gestoorde aandacht of concentratie en dat er geen aanleiding was voor een urenbeperking. Zij zag in lijn met haar rapport van dezelfde datum wel aanleiding de FML te wijzigen door aanvullende beperkingen te stellen in de rubrieken 1 (persoonlijk functioneren) en 2 (sociaal functioneren). Vervolgens wijzigde de bezwaararbeidsdeskundige volgens het rapport van 19 november 2007 de functieduiding, lichtte de medische geschiktheid van de nieuw geduide functies toe en berekende het loonverlies op 48,59%. Dienovereenkomstig verklaarde het Uwv bij besluit van 22 november 2007 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 augustus 2007 ongegrond. Hierna deelde Dreijer appellant op 13 december 2007 telefonisch nog mede dat door hem ingezonden informatie van de cardioloog van 20 november 2007, waarin deze stelde dat er bij ergometrie mogelijk aanwijzingen zijn voor myocardischaemie over de voorwand en nog steed wisselende tensie maar dat appellant verder wel goed belastbaar was, haar geen aanleiding gaf tot wijziging van de belastbaarheid.

4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit 22 november 2007 (hierna: het bestreden besluit) gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Tevens besliste de rechtbank over vergoeding van griffierecht aan appellant.

4.2. De rechtbank onderschreef de medische grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank wees onder andere op de in overweging 3 vermelde informatie van de cardioloog en zag geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige. De rechtbank kwam tot haar in overweging 4.1 weergegeven beslissing omdat van de zijde van het Uwv ter zitting was gesteld dat de in bezwaar geduide nieuwe functies met appellant besproken hadden moeten worden, maar de bezwaararbeidsdeskundige op 19 november 2007 voldoende inzichtelijk en verifieerbaar had gemaakt waarom die functies voor appellant geschikt waren te achten.

5. In hoger beroep herhaalde appellant zijn in eerdere fasen van de procedure voorgebrachte standpunt dat hij volgens de behandelend cardioloog niet meer zou mogen werken en wees hij op een brief van de cardioloog van 6 oktober 2008, die aangaf dat appellant bij zwaardere inspanningen druk op de borst had, dat er op het ECG aanwijzingen zijn voor myocard ischaemie en dat het aan het Uwv wordt overgelaten welke gevolgen dit heeft voor de inzetbaarheid van appellant. Vervolgens berichtte de cardioloog op 2 februari 2009 in het kader van een vraagstelling van Dreijer in de in rubriek I vermelde andere procedure dat appellant fysiek beperkt is door zijn coronair lijden en psychisch door bijwerkingen van de medicatie, waardoor appellant ten zeerste beperkt is wat betreft zijn inzetbaarheid voor arbeid. Appellant acht het onjuist dat de verzekeringsartsen van het Uwv alleen schriftelijk overleg met de cardioloog hebben gevoerd.

6.1. De Raad overweegt in de eerste plaats dat appellant op 15 juli 2008 naar aanleiding van de in rubriek I vermelde vraag van de Raad heeft meegedeeld dat zijn beroepschrift van 2 juli 2008 ook per post aan de Raad is toegezonden. De Raad stelt vast dat de aangevallen uitspraak op 21 mei 2008 is verzonden en dat het hoger beroepschrift, dat blijkens het poststempel op 2 juli 2008 aan de Raad is verzonden op 4 juli 2008 is ontvangen. De Raad stelt voorts vast dat in dit geval de termijn van zes weken voor het instellen van hoger beroep op 2 juli 2008 afliep, zodat anders dan het op 3 juli 2008 verzonden fax-bericht, de verzending van het hoger beroepschrift per post binnen de beroeptermijn in verband met artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht ook tijdig geschiedde, nu het niet later dan een week na afloop van die termijn is ontvangen.

6.2. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit anders te oordelen dan de rechtbank. De Raad merkt nog op dat aan de brieven van de behandelend cardioloog van 13 november 2006 en 20 november 2007 geen aanwijzingen vielen te ontlenen dat appellant in het geheel niet belastbaar zou zijn. Voorts heeft appellant zijn steeds voorgedragen standpunt dat de cardioloog hem had meegedeeld dat hij niet meer zou mogen werken niet gestaafd met een dienovereenkomstige schriftelijke verklaring van de cardioloog. Dat appellant niet meer zou mogen werken op de datum in geding leest de Raad ook niet in de brief van de cardioloog van 6 oktober 2008 en uiteindelijk ook niet in diens brief in een andere procedure van 2 februari 2009, derhalve ruim na de datum in geding, ook al formuleert de cardioloog in die laatste brief, naar het de Raad voorkomt, wat betreft de belastbaarheid een terughoudender standpunt dan in zijn eerdere brieven. Gelet op het vorenstaande ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat het Uwv onzorgvuldig heeft gehandeld door zich bij de vaststelling van de belastbaarheid van appellant naast de onderzoeken van de (bezwaar)verzekeringsartsen mede te baseren op de beschikbare schriftelijke informatie van de cardioloog.

6.3. Wat betreft de in de bezwaarprocedure geduide nieuwe functies heeft de Raad geen aanleiding gezien het oordeel van de rechtbank over de geschiktheid daarvan voor onjuist te houden. Ook de Raad wijst daarvoor op de uitgebreide toelichting in het in overweging 3 vermelde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige.

6.4. De overwegingen 6.1 tot en met 6.3 leiden de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) F. Heringa.

TM