Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3354

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-06-2009
Datum publicatie
16-11-2009
Zaaknummer
07-6100 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning bijzondere bijstand. Appellante verzet zich tegen de overwegingen in het bestreden besluit die erop neerkomen dat haar aanvraag aan het noodzaak-criterium is getoetst en dat dit criterium ook bij eventuele toekomstige aanvragen om bijzondere bijstand zal worden toegepast. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is een louter principieel belang echter niet voldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6100 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 26 oktober 2007, 07/3470 en 07/3641 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2009. Voor appellante is haar zoon O.M. van Os verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 30 augustus 2007 heeft het College de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand voor griffierechten afgewezen op de grond dat deze kosten niet behoren tot de noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35 van de Wet werk en bijstand (WWB). Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.2. Bij besluit van 13 september 2007 heeft het College het bezwaar gegrond verklaard en de aangevraagde bijzondere bijstand voor kosten griffierecht alsnog toegekend. Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit uitsluitend de motivering van dit besluit zou betreffen en dat daarin geen procesbelang is gelegen.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe is aangevoerd dat appellante wel degelijk belang heeft bij een rechterlijke uitspraak over de dragende overwegingen die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd. Appellante verzet zich ertegen dat het College, overeenkomstig zijn beleid, voorafgaand aan de toekenning zelfstandig heeft beoordeeld of de door appellante voorgenomen procedures - waarop de griffierechten betrekking hebben - noodzakelijk waren in de zin van artikel 35 van de WWB. Zij acht het onjuist dat het College, dat als wederpartij bij die procedures is betrokken, haar daarvan kan afhouden door geen bijzondere bijstand voor griffierechten toe te kennen op de grond dat de procedure niet noodzakelijk zou zijn.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak is slechts sprake van voldoende procesbelang indien het resultaat dat met het beroep wordt nagestreefd ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijk betekenis kan hebben.

4.2. De Raad stelt vast dat het College bij het bestreden besluit van 13 september 2007 de in geding zijnde aanvraag om bijzondere bijstand voor griffierechten alsnog geheel heeft ingewilligd. Daarmee had appellante het door haar met de bezwaarprocedure nagestreefde resultaat reeds volledig bereikt.

4.3. Hetgeen namens appellante bij de rechtbank en in hoger beroep is aangevoerd begrijpt de Raad aldus, dat appellante stelt een principieel belang te hebben bij een beslissing op haar beroep. Zij verzet zich tegen de overwegingen in het bestreden besluit die erop neerkomen dat haar aanvraag aan het noodzaak-criterium is getoetst en dat dit criterium ook bij eventuele toekomstige aanvragen om bijzondere bijstand zal worden toegepast. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is een louter principieel belang echter niet voldoende. Indien toekomstige aanvragen door het College op de aangegeven grond worden afgewezen, staat daartegen voor appellante bezwaar en beroep open. Zij kan dan haar stelling dat het College een eigen belang bij de zaak heeft en om die reden het noodzaak-criterium niet of slechts met terughoudendheid mag toepassen opnieuw naar voren brengen. Dat appellante daarover liever vooraf zekerheid zou hebben - zodat haar gemachtigde weet waar hij aan toe is - kan een inhoudelijke beoordeling door de bestuursrechter thans niet rechtvaardigen.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep terecht en op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak, voor zover in hoger beroep aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten op grond van artikel 8:75 van de Awb ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen, uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2009.

(get.) R. Kooper.

(get.) B.E. Giesen.

NK