Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3324

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-10-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
08-6432 BZ
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand voor een krediet en/of levensonderhoud op grond van de Wet werk en bijstand en het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) op de grond dat het bedrijf niet levensvatbaar is. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat het College zijn besluitvorming mocht baseren op het advies van het IMK. De Raad verenigt zich met dit oordeel en de overwegingen waarop dat oordeel rust. De Raad voegt hieraan toe dat het negatieve advies van het IMK niet gebaseerd is op een oordeel omtrent de vakmatige kwaliteiten van appellant, maar omtrent diens kwaliteiten als beginnende ondernemer. Dat het IMK op dat laatste terrein voldoende expertise heeft, is niet bestreden, zodat het hoger beroep van appellant faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/6432 BZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 september 2008, 07/2665 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 27 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2009. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant wil als zelfstandig ondernemer een sound design bedrijf beginnen. Op 13 november 2006 heeft hij daartoe een aanvraag gedaan om bijstand voor een krediet en/of levensonderhoud op grond van de Wet werk en bijstand en het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004).

1.2. Het College heeft het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (hierna: IMK) verzocht te adviseren omtrent de aanvraag en daartoe een bedrijfseconomisch rapport op te stellen. Het IMK heeft onderzoek gedaan naar exploitatievooruitzichten, de financieringsmogelijkheden en de levensvatbaarheid van het te starten bedrijf. Daartoe heeft het IMK ook met appellant gesproken. Op 22 maart 2007 heeft het IMK een adviesrapport uitgebracht. Daarin adviseert het IMK de aanvraag af te wijzen, omdat het te starten bedrijf van appellant niet levensvatbaar is. Appellant heeft bij brief van 10 april 2007 op dit advies gereageerd en de conclusie bestreden. Het IMK heeft bij brief van 19 april 2007 gereageerd op de reactie van appellant. Bij besluit van 24 april 2007 heeft het College de aanvraag afgewezen op de grond dat het bedrijf niet levensvatbaar is.

1.3. Bij besluit van 14 augustus 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 24 april 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

14 augustus 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, in verbinding met artikel 2, tweede lid, van het Bbz 2004 kunnen algemene bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal worden verleend aan de persoon of de echtgenoot van de persoon die uit hoofde van werkloosheid een uitkering ontvangt en die een bedrijf begint dat levensvatbaar is.

4.2. Onder een levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep wordt volgens artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 verstaan het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan. Blijkens de toelichting op deze bepaling impliceert dit dat het inkomen toereikend dient te zijn om alle aflossingsverplichtingen te voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan.

4.3. Voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf is volgens vaste rechtspraak van de Raad bepalend de situatie van het bedrijf ten tijde van het primaire besluit op de aanvraag.

4.4. Appellant heeft aangevoerd dat het College zijn besluitvorming niet mocht baseren op het adviesrapport van het IMK. Het IMK mist volgens hem expertise over sound design.

4.5. Naar vaste rechtspraak van de Raad is een bijstandverlenend orgaan in zaken als de onderhavige gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming te baseren op in concreto verkregen adviezen van deskundige instanties als IMK. De Raad acht in dit geval geen situatie aanwezig waarin die regel niet zou opgaan.

4.6. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak onder 2.7 en 2.8 tot het oordeel gekomen dat het College zijn besluitvorming mocht baseren op het advies van het IMK. De Raad verenigt zich met dit oordeel en de overwegingen waarop dat oordeel rust. De Raad voegt hieraan toe dat het negatieve advies van het IMK niet gebaseerd is op een oordeel omtrent de vakmatige kwaliteiten van appellant, maar omtrent diens kwaliteiten als beginnende ondernemer. Dat het IMK op dat laatste terrein voldoende expertise heeft, is niet bestreden, zodat het hoger beroep van appellant faalt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2009.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) C. de Blaeij.

RB