Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3310

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
06-6192 WAO + 07-4961 WAO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2006:AY9030, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering (besluit 1). Naar aanleiding van rapport uitgebracht door deskundige ingeschakeld door de rechtbank is besluit 2 genomen, inhoudende vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, 25-35%. De rechtbank heeft besluit 1 (zoals gewijzigd bij besluit 2) vernietigd, omdat de door de rechtbank ingeschakelde deskundige meer beperkingen aangewezen acht dan het Uwv en het Uwv niet heeft gemotiveerd waarom niet alle door de deskundige aangegeven beperkingen worden overgenomen. Uwv heeft hoger beroep ingesteld. In verband met het niet langer maximeren van de maatmanomvang, is bij bestreden besluit 3 de mate van arbeidsongeschiktheid gesteld op 35 tot 45%. De Raad onderschrijft de medische grondslag van laatstbedoeld besluit en verwijst daartoe naar het in de zaak LJN BK3394 uitgebrachte rapport van de deskundige -wiens rapport ook op de hier in geding zijn de datum betrekking heeft-. Ook acht de Raad voldoende aannemelijk dat de geduide functies in medisch opzicht geschikt zijn voor betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/6192 WAO + 07/4961 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, van 20 september 2006, 06/2713, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 11 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. D.S.C. Hes, advocaat te ’s-Gravenhage, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft bij brief van 5 februari 2007 een rapport van 23 januari 2007 van

A. Mirza, bezwaarverzekeringsarts, ingezonden.

Appellant heeft bij brief van 20 augustus 2007 een nieuw besluit op bezwaar van dezelfde datum in geding gebracht. Bij brief van 19 november 2007 heeft appellant dit besluit gecorrigeerd.

Bij rapport van 26 augustus 2008 heeft dr. C. la Lau, oogarts, vragen van de Raad beantwoord.

Dr. H. Punt, oogarts te Utrecht, heeft op 23 maart 2009 op verzoek van de Raad rapport uitgebracht.

Namens betrokkene is daarop bij brief van 13 mei 2009 gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het geding 06/6191, plaatsgevonden op 15 juli 2009. Namens appellant was J.M.W. Beers aanwezig. Betrokkene heeft zich doen vertegenwoordigen door bovengenoemde gemachtigde.

Na de behandeling ter zitting heeft de Raad voormelde zaken gesplitst.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn uitspraak tussen partijen in geding 06/6191 WAO. Daaraan voegt de Raad het volgende toe.

2. Bij besluit van 9 november 2005 heeft appellant de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van betrokkene per 10 januari 2006 ingetrokken omdat de mate van diens arbeidsongeschiktheid per die datum moet worden gesteld op minder dan 15%. Daaraan liggen nagenoeg dezelfde overwegingen ten grondslag als die welke ten grondslag liggen aan de besluiten die in de procedure 06/6191 ter toetsing voorliggen (kort weergegeven: dat betrokkene ondanks het ernstig oogletsel aan het linker oog in staat is om de aan hem geduide functies te vervullen). Namens betrokkene is tegen laatstbedoeld besluit op 1 december 2005 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 13 maart 2006 (hierna: het bestreden besluit 1) heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard.

3. Namens betrokkene is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1. In het kader van dit beroep heeft de rechtbank de oogarts dr. La Lau om advies gevraagd. In diens rapporten van 2 december 2005 en 6 februari 2006 is deze deskundige tot de conclusie gekomen, dat voor betrokkene meer beperkingen gelden dan door appellant is aangenomen met name omdat er als gevolg van het (in feite) wegvallen van het zicht aan het linker oog sprake is van een verminderde oog-hand coördinatie en bijgevolg van verminderde productiviteit. Naar aanleiding van deze rapporten heeft appellant bij besluit van 31 mei 2006 (hierna: het bestreden besluit 2) de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene per 10 januari 2006 alsnog gesteld op 25 tot 35%. Daarbij heeft appellant een deel van de door La Lau aangegeven beperkingen overgenomen; ten aanzien een ander deel daarvan heeft appellant de deskundige niet gevolgd.

4. De rechtbank heeft het bestreden besluit 1 -zoals gewijzigd bij het bestreden besluit 2- vernietigd, appellant opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen en beslissingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en de betaling van griffierecht. Daarbij heeft de rechtbank -verkort weergegeven- geoordeeld dat er geen reden is de deskundige niet te volgen in diens oordeel dat betrokkene meer beperkt is dan door appellant aangenomen, terwijl appellant niet althans onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet alle door de deskundige aangegeven beperkingen worden overgenomen.

5. Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Daarbij is met name gesteld dat het goede oog in zodanige mate de functies van het slechte oog overneemt dat voor het aannemen van alle door La Lau genoemde beperkingen geen noodzaak bestaat. In de loop van de procedure in hoger beroep heeft appellant bij besluit van 20 augustus 2007 (hierna: het bestreden besluit 3) genomen, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene per 10 januari 2006 alsnog -in verband met het niet langer maximeren van de maatmanomvang- is gesteld op 35 tot 45% .

6.1. De Raad oordeelt als volgt.

6.2. Nu appellant met het bestreden besluit 3 niet geheel aan het (hoger) beroep van betrokkene tegemoet is gekomen, zal de Raad met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht, in verbinding met artikel 6:24 van deze wet, het hoger beroep mede gericht achten tegen het bestreden besluit 3.

6.3. De Raad onderschrijft de medische grondslag van laatstbedoeld besluit en verwijst daartoe naar het in de vorige rubriek genoemde rapport van de deskundige Punt -wiens rapport ook op de hier in geding zijn de datum betrekking heeft- en de overwegingen 5.2. en 5.3. van zijn uitspraak heden in geding 06/6191. Ook acht de Raad voldoende aannemelijk dat de geduide functies in medisch opzicht geschikt zijn voor betrokkene. De bezwaararbeidskundigen C.G. Litjens en D.L.A. Politon hebben in hun rapporten van 20 februari 2006 en 1 maart 2006 de signaleringen met betrekking tot eventuele overschrijdingen van de belastbaarheid van betrokkene afdoende toegelicht.

6.4. Nu ook appellant gelet op het bestreden besluit 3 de bestreden besluiten 1 en 2 niet langer juist acht, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking, behoudens voor zover daarbij aan appellant opdracht is gegeven tot het nemen van een nieuw besluit. Het beroep tegen het bestreden besluit 3 dient ongegrond te worden verklaard.

7. De Raad acht termen aanwezig appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep te begroten op € 644,- aan kosten voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover appellant daarbij is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 3 ongegrond;

Veroordeelt appelllant in de proceskosten van betrokkene ten bedrage van € 644,-.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en J. Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 november 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

CVG