Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3309

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
07-4566 WAO + 07-5567 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Besluit (1) door rechtbank vernietigd, aangezien de arbeidskundige grondslag onvoldoende was. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank is een nieuw besluit (2), waarbij het bezwaar wederom ongegrond is verklaard. Dit besluit berust op dezelfde medische grondslag als besluit 1. Aan besluit 2 ligt een nadere arbeidskundige motivering ten grondslag. De aangevallen uitspraak is in strijd met artikel 8:57 van de Awb, tot stand gekomen. Raad doet zaak zelf af zonder terugwijzing. Psychische klachten niet onderschat. Besluit 2 voorzien van deugdelijke arbeidskundige onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/4566 WAO + 07/5567 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 juni 2007, 06/592 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.I. Steinmetz, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op 6 juli 2007 heeft het Uwv, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak waarin het heeft berust, een nieuw besluit op bezwaar genomen, onder bijvoeging van een rapportage van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige van 5 juli 2007.

Bij brief van 15 november 2007 heeft het Uwv een reactie aan de Raad gezonden, onder bijvoeging van een rapportage van een bezwaarverzekeringsarts van 14 november 2007.

Op 30 november 2007 heeft het Uwv een rapportage van een bezwaararbeidsdeskundige van 29 november 2007, met bijlagen, aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2008. Appellant is verschenen bij gemachigde mr. Steinmetz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka. Het onderzoek is ter zitting geschorst om appellant in de gelegenheid te stellen te reageren op een rapport van een bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv. Bij brief van 7 april 2009 is namens appellant een reactie ingezonden. Bij brief van 21 april 2009 heeft het Uwv hierop gereageerd met inzending van een rapportage van een bezwaararbeidsdeskundige van 17 april 2009.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een nadere uiteenzetting van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2. Bij besluit van 10 augustus 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 10 oktober 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

3. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 30 december 2005 (besluit 1) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt en beslissingen gegeven over schadevergoeding, proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft daartoe overwogen, kort weergegeven, dat besluit 1 op een juiste medische grondslag rust, maar dat de arbeidskundige grondslag onvoldoende is, omdat het Uwv enkele zogenoemde beperkende toelichtingen bij de aspecten 4.11, 4.19 en 5.4 van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) niet van een voldoende motivering heeft voorzien.

5. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd, kort weergegeven, dat zijn beperkingen, waarvan in het bijzonder zijn psychische beperkingen, zijn onderschat, dat hij niet voldoet aan het in enkele hem geduide functies vereiste VMBO-niveau, dat enkele functies een onvoldoende evenwichtige afwisseling kennen van de belastingaspecten ‘zitten’, ‘staan’ en ‘lopen’ en dat de proceskosten in bezwaar ten onrechte niet aan hem zijn vergoed.

6.1. De Raad ziet in de eerste plaats aanleiding ambtshalve te onderzoeken of de aangevallen uitspraak op juiste wijze tot stand is gekomen. De rechtbank heeft bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. In artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is aan de rechtbank de bevoegdheid hiertoe verleend indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven. Bij schrijven van 5 april 2007 heeft het Uwv desgevraagd zodanige toestemming verleend. Bij brief van 16 april 2007 heeft het Uwv evenwel nog een rapportage van een bezwaarverzekeringsarts, met bijlage, aan de rechtbank gezonden. Bij brief van 2 juni 2007 heeft appellant een inhoudelijke reactie daarop aan de rechtbank gezonden en daarbij meegedeeld dat wordt afgezien van een tweede zitting. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten en uitspraak gedaan.

6.2. De Raad stelt vast dat, nadat door appellant toestemming was verleend, nieuwe gedingstukken aan het procesdossier zijn toegevoegd, de rechtbank het Uwv niet opnieuw om toestemming in de zin van artikel 8:57 van de Awb heeft verzocht. Dit leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak in strijd met artikel 8:57 van de Awb, is tot stand gekomen. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Nu de zaak naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal hij de zaak zonder terugwijzing afdoen.

6.3. Het Uwv heeft in de aangevallen uitspraak berust. Op 6 juli 2007 heeft het Uwv een nieuw besluit genomen op het bezwaar van appellant (besluit 2), waarbij het bezwaar wederom ongegrond is verklaard. Dit besluit berust op dezelfde medische grondslag als besluit 1. Aan besluit 2 ligt een rapportage van 5 juli 2007 ten grondslag van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv, waarin een nadere motivering is gegeven op de aspecten 4.11 (frequent buigen tijdens het werk), 4.19 (lopen tijdens het werk) en 5.4 (staan tijdens het werk) van de FML. Nu met besluit 2 niet is tegemoet gekomen aan het hoger beroep van appellant, zal de Raad dit besluit met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb in deze procedure betrekken.

6.4. Ten aanzien van hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van besluit 1, overweegt de Raad het volgende. De Raad verenigt zich met het desbetreffende oordeel van de rechtbank. Door appellant is in hoger beroep geen nieuwe medische informatie naar voren gebracht die doet twijfelen aan de juistheid van dit oordeel. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben alle over appellant beschikbare informatie uit de behandelend sector in hun beoordeling betrokken. Uit die informatie kan niet worden afgeleid dat het Uwv de lichamelijke klachten van appellant heeft onderschat. Appellant heeft in beroep brieven van GGZ Buitenamstel ingebracht, waaruit blijkt van een depressieve stoornis bij appellant. In het licht van alle overige in het dossier beschikbare gegevens, waaronder de door appellant bij zijn herbeoordeling en in bezwaar verstrekte informatie, ziet de Raad evenwel onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat het Uwv de psychische klachten van appellant op de in geding zijnde datum heeft onderschat. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding heeft gezien voor nader onderzoek door een deskundige.

6.5. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de arbeidskundige grondslag van besluit 1 onvoldoende is gemotiveerd. Hij verwijst voor een onderbouwing van dit oordeel naar de desbetreffende overwegingen in de aangevallen uitspraak. Het beroep tegen besluit 1 dient derhalve gegrond te worden verklaard.

6.6. De Raad is ten aanzien van besluit 2 van oordeel dat het op een juiste medische en arbeidskundige grondslag rust. Wat de medische grondslag betreft, verwijst de Raad naar hetgeen hij onder 6.3 en 6.4 heeft overwogen. Wat de arbeidskundige grondslag betreft overweegt de Raad als volgt. Het Uwv heeft de toelichtingen bij de belastingaspecten 4.11, 4.19 en 5.4 van de FML met de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts en van de bezwaararbeidsdeskundige van 5 juli 2007 thans van een voldoende onderbouwing voorzien. In deze rapportage, alsmede in de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv van 27 december 2005, 29 november 2007 en 17 april 2009 ziet de Raad voorts voldoende toegelicht dat de geduide functies ook op de aspecten ‘zitten’, ‘staan’ en ‘lopen’, en de afwisseling daarvan, alsmede de aspecten ‘trappenlopen’ en ‘klimmen’, waarover appellant bezwaren naar voren had gebracht, voor hem geschikt moeten worden geacht. Ook overigens ziet de Raad geen reden om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geduide functies. Wat ten slotte de vraag betreft of appellant geschikt moet worden geacht voor functies op VMBO-niveau is de Raad van oordeel dat het Uwv in de arbeidskundige rapportages van 27 december 2005 en 29 november 2007 voldoende heeft gemotiveerd dat appellant op dit niveau kan functioneren. Hieruit volgt dat het beroep tegen besluit 2 niet slaagt.

6.7. De stelling van appellant dat aan hem de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar dienen te worden vergoed kan niet slagen, reeds op de grond dat van “herroepen” als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb geen sprake is.

7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- in beroep en € 644,- in hoger beroep, totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep tegen besluit 2 ongegrond;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en H. Bedee en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

EK