Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3190

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-10-2009
Datum publicatie
13-11-2009
Zaaknummer
08-984 ZFW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inhouding premies op de Remigratie-uitkering. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 18 oktober 2007 (LJN BB6578) herhaalt de Raad dat de inhouding van de in geschil zijnde premies geheel conform de Nederlandse wetgeving en het Verdrag met Marokko is geschied en dat gelet op het doel van de wijziging van het Verdrag met Marokko en de gekozen systematiek om dit doel te bereiken, geen sprake is van een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/984 ZFW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 januari 2008, 05/6021 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 29 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met het onderzoek in de zaken geregistreerd onder de nummers 08/981, 08/2769, 08/2770, 08/7399 en 08/6866 plaatsgevonden op 17 september 2009. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.J. van de Nes. Na de sluiting van het onderzoek zijn de gevoegde zaken 08/981 en 08/984 weer gesplitst.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant is woonachtig in Marokko en genoot ten tijde in dit geding van belang een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en een uitkering op grond van de Remigratiewet. Bij brief van 15 december 2004 heeft de Svb appellant medegedeeld dat hij als gevolg van de inwerkingtreding van het Verdrag tot wijziging van het op 14 februari 1972 te Rabat ondertekende Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (Trb. 1996, 298, hierna: Verdrag met Marokko), met ingang van 1 november 2004 uit hoofde van zijn WAO-uitkering verplicht verzekerd is voor de Ziekenfondswet en de Algemene wet bijzondere ziektekosten Daarbij heeft de Svb tevens beslist dat met ingang van 1 november 2004 de premies voor deze verzekeringen op de Remigratie-uitkering van appellant worden ingehouden.

1.3. Bij besluit van 2 december 2005 heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 december 2004 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 2 december 2005 onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 18 oktober 2007 (LJN BB6578) ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd en aangegeven dat, gelet op de in Marokko beschikbare zorg, de premie voor de verplichte verzekering te hoog is. Appellant geeft er de voorkeur aan zich in Marokko vrijwillig te verzekeren.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. De Raad stelt allereerst vast dat het geding zich beperkt tot de inhouding van premie op de uitkering van appellant over de periode 1 november 2004 tot 1 januari 2006. Vanaf laatstgenoemde datum is in werking getreden het Besluit van 23 mei 2006 (Stcrt. 2006, 104), waarin de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de Regeling zorgverzekering heeft gewijzigd in die zin dat, met terugwerkende kracht, per 1 januari 2006 een zogenaamde woonlandfactor is ingevoerd.

4.3. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 18 oktober 2007 (LJN BB6578) herhaalt de Raad dat de inhouding van de in geschil zijnde premies geheel conform de Nederlandse wetgeving en het Verdrag met Marokko is geschied en dat gelet op het doel van de wijziging van het Verdrag met Marokko en de gekozen systematiek om dit doel te bereiken, geen sprake is van een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van de Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2009.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) W. Altenaar.

IJ