Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3092

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
12-11-2009
Zaaknummer
07-5931WAO+09-1390WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Besluit 1 door rechtbank vernietigd. Ter uitvoering uitspraak is na aanpassing van de FML een nieuw besluit (2) genomen, inhoudende intrekking WAO-uitkering. Geen strijd gelijkheidsbeginsel. Er bestaat een voldoende objectieve rechtvaardiging voor ongelijke behandeling binnen de groep van arbeidsongeschikten die zijn geboren tussen 1 juli 1954 en 1 juli 1959. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 22 april 2009, LJN BH0312. Voldoende medische grondslag. Met de aanvullende arbeidskundige rapporten is ook de arbeidskundige beoordeling van besluit 2 voldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/5931 WAO + 09/1390 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 september 2007, 06/3258 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Vaessen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend, alsmede enkele door de Raad gestelde vragen schriftelijk beantwoord.

Het Uwv heeft een nieuw besluit, gedateerd 24 februari 2009, genomen, waartegen mr. Vaessen nadere gronden heeft ingediend. Het Uwv heeft hierop gereageerd.

Mr. Vaessen heeft nog een stuk ingezonden, waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vaessen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van Nood.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft van 20 december 2001 tot 10 november 2005 een uitkering ontvangen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) die werd berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%. Deze uitkering is door het Uwv bij besluit van 12 september 2005 met ingang van laatstgenoemde datum ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 15%.

1.2. Bij besluit van 30 januari 2006 (besluit 1) heeft het Uwv het tegen het besluit van 12 september 2005 door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Het beroep dat appellante tegen besluit 1 instelde is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv bij dit besluit de juiste functionele beperkingen in acht heeft genomen, maar dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom appellante de daarbij in aanmerking genomen functies zou kunnen vervullen. De rechtbank heeft daarom besluit 1 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen. Zij heeft het Uwv voorts opgedragen om het griffierecht en de in beroep gemaakte proceskosten aan appellante te vergoeden.

3. Appellante voert in hoger beroep aan dat zowel haar klachten aan handen en polsen, als haar psychische klachten zijn onderschat. Zij acht zich niet in staat de bij het nieuwe besluit van 24 februari 2009 (besluit 2) in aanmerking genomen functies gedurende een normale werkweek te vervullen, waarbij zij erop heeft gewezen dat hierin te vaak productiepieken, schrijfwerk en conflictsituaties voorkomen. Zij is van mening dat nog steeds onvoldoende is gemotiveerd waarom die functies geschikt voor haar zijn. Daarnaast blijft zij bij haar standpunt dat, nu de functies zijn geselecteerd met toepassing van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zoals dit is aangepast per 1 oktober 2004, het Uwv in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel, zoals verwoord in de artikelen 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en 1 van de Grondwet.

4. Het Uwv heeft in de aangevallen uitspraak berust. Op 24 februari 2009 heeft het Uwv besluit 2 genomen. Dit besluit berust op dezelfde medische grondslag als besluit 1, met dien verstande dat de zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is aangepast aan voorwaarden die voortvloeien uit de jurisprudentie van de Raad. Besluit 2 gaat er, evenals besluit 1, vanuit dat appellante dusdanige beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid, dat zij per 10 november 2005 haar voormalige functie van verkoopster schoenenzaak voor tien uur per week niet meer kan vervullen. Appellante is volgens besluit 2 op deze datum wel geschikt voor werkzaamheden verbonden aan de functies van kassamedewerker, caissière (Sbc-code 317030), schadecorrespondent (Sbc-code 516080) en telefonist, receptionist (Sbc-code 315120). Hiertoe heeft een bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 28 december 2007 aanvullende toelichtingen gegeven. Dit heeft meegebracht dat het Uwv bij besluit 2 opnieuw het bezwaar van appellante ongegrond heeft verklaard.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Nu met besluit 2 niet is tegemoetgekomen aan het hoger beroep van appellante, dient de Raad dit besluit met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht in deze procedure te betrekken.

5.2. De Raad zal eerst een oordeel geven over de beroepsgrond dat het Uwv heeft beslist in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De Raad neemt in aanmerking dat slechts een deel van de WAO-gerechtigden die zijn geboren tussen 1 juli 1954 en 1 juli 1959, zoals appellante, ambtshalve is herbeoordeeld op grond van het Schattingsbesluit zoals dit was aangepast per 1 oktober 2004. De Raad is zich ervan bewust dat een aantal van hen, onder wie appellante, dientengevolge tot uiterlijk 22 februari 2007 te maken heeft gekregen met een lagere uitkering of een intrekking van de uitkering, hetgeen mogelijkerwijs niet was gebeurd indien de ambtshalve herbeoordeling na 22 februari 2007 had plaatsgevonden. Alsdan waren minder strikte criteria zoals deze vóór 1 oktober 2004 golden toegepast. Eerder is de Raad al tot het oordeel gekomen dat er een voldoende objectieve rechtvaardiging bestaat voor deze ongelijke behandeling binnen de groep van arbeidsongeschikten die zijn geboren tussen 1 juli 1954 en 1 juli 1959. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 22 april 2009, LJN BH0312.

De Raad komt in dit geval tot hetzelfde oordeel op grond van de overwegingen als in die uitspraak vermeld. Dat betekent dat hij ook de onderhavige besluitvorming niet in strijd acht met het gelijkheidsbeginsel.

5.3. Ten aanzien van de medische beoordeling door het Uwv onderschrijft de Raad hetgeen door de rechtbank in de aangevallen uitspraak hierover is overwogen ten aanzien van besluit 1. De verzekeringsartsen hebben voor appellante beperkingen vastgesteld met betrekking tot persoonlijk en sociaal functioneren (als: geen veelvuldige deadlines of productiepieken, niet langdurig schrijven), fysieke omgevingseisen (geen langdurige vochtige kou, geen forse trillingsbelasting), dynamische handelingen (als: niet krachtig grijpen, knijpen of wringen, geen intensief typewerk, niet frequent reiken of tillen, zwaar duwen, trekken, tillen, langdurig lopen) en statische houdingen (als: lang staan of zitten). Het eigen onderzoek van de primaire verzekeringsarts, de tijdens de hoorzitting verkregen informatie, alsook vroegere informatie uit het dossier is daarbij betrokken. De primaire en bezwaarverzekeringsartsen hebben voor de Raad voldoende overtuigend gemotiveerd dat voor zwaardere beperkingen of een urenbeperking geen objectief medische reden bestaat. Op de in beroep en hoger beroep beschikbaar gekomen nadere informatie van psycholoog drs. C.J. van Proosdij (bij wie appellante pas op 23 augustus 2006 onder behandeling is gekomen), de radioloog T. Weits en de reumatoloog K.J. Korff heeft de bezwaarverzekeringsarts gereageerd dat deze informatie geen medische gegevens bevat ter ondersteuning van appellantes standpunt dat de FML geen juiste weergave geeft van haar medische beperkingen. De Raad ziet geen aanleiding om dit standpunt van de bezwaarverzekeringsarts niet te volgen.

5.4. Aan de intrekking van de WAO-uitkering ligt tevens ten grondslag dat appellante de onder 4 genoemde functies kan vervullen. De Raad is van oordeel dat, uitgaande van de juistheid van de beperkingen zoals die voor appellante zijn vastgesteld, er geen reden is deze functies voor haar in medisch opzicht niet passend te achten. De Raad merkt op dat, voor zover in de herziene FML nog steeds zogenoemde verborgen beperkingen zijn vermeld, ook aan deze beperkingen voldoende aandacht is besteed. Met de aanvullende arbeidskundige rapporten van 28 december 2007 en 15 juni 2009 is duidelijk geworden dat het in de voorgehouden functies niet gaat om te frequente piekbelasting of hoge werkdruk, dan wel om te lang achtereen schrijven of typen. Ook is voldoende toegelicht dat in die functies langdurige, zware of hoogfrequente handelingen voor de handen niet voorkomen en dat in de functies de belastbaarheid van appellante op het aspect conflicthantering niet wordt overschreden. Dit betekent dat besluit 2 deugdelijk is gemotiveerd.

5.5. Gezien de voorgaande overwegingen van de Raad, zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd en het beroep van appellante tegen besluit 2 ongegrond worden verklaard.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 24 februari 2009 (besluit 2) ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en H. Bedee en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

EK