Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3085

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
12-11-2009
Zaaknummer
08-2049 ZW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Geschiktheid voor één van de in het kader van de WAO-beoordeling aan hem voorgehouden functies. Juiste maatstaf arbeid gehanteerd. Geen reden te twijfelen aan medische beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2049 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 22 februari 2008, 07/2574 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Cornelis, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarbij een aanvullende rapportage van de bezwaarverzekeringsarts R.F. Seleski van 22 augustus 2008 is overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2009. Appellant en zijn gemachtigde zijn - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als voltijds schoonmaker, is op 29 oktober 1996 met schouderklachten en kort nadien ontwikkelde depressieve klachten, arbeidsongeschikt geworden. Na einde wachttijd, die destijds 52 weken bedroeg, is hij per 28 oktober 1997 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Deze uitkering is met ingang van 22 februari 2006 ingetrokken, omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Aansluitend heeft hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen. Vanuit die situatie heeft appellant zich op 5 juli 2006 ziek gemeld met psychische klachten. Vervolgens heeft het Uwv aan appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2. Nadat appellant op 26 maart 2007 door de verzekeringsarts H.P. Bake is gezien op het spreekuur, heeft deze namens het Uwv bij besluit van 26 maart 2007 aan appellant meegedeeld dat hij vanaf 2 april 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Bij besluit van 7 augustus 2007 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 maart 2007, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal van 3 augustus 2007, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in hetgeen door appellant wordt aangevoerd geen reden wordt gevonden om de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts met betrekking tot de fysieke en psychische klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen op de datum 2 april 2007 voor onjuist te houden of om te kunnen concluderen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek het bestreden besluit niet kan dragen. Het Uwv heeft appellant derhalve naar het oordeel van de rechtbank terecht minimaal geschikt geacht voor één van de in het kader van de

WAO-beoordeling aan hem voorgehouden functies. Mitsdien heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden besloten appellant met ingang van 2 april 2007 niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW.

3. In hoger beroep is namens appellant verwezen naar de pleitnota die hij bij de rechtbank heeft overgelegd en is aangevoerd dat zijn medische problemen niet in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 25 november 2005 zijn opgenomen, terwijl evenmin rekening is gehouden met de bijwerkingen van de medicatie die hij voorgeschreven heeft gekregen. Voorts heeft hij gesteld dat hij zich reeds op 27 juli 2006, kort na zijn ziekmelding, onder behandeling heeft gesteld van NOAGG Centrum voor Transculturele Geestelijke Gezondheidszorg.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 19 van de ZW bestaat recht op ziekengeld indien de verzekerde wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder ”zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO.

Deze concretisering in het kader van de WAO betekent dat een aantal functies ieder afzonderlijk voor de betrokken verzekerde geschikt is geacht. Gelet hierop dient onder ”zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW te worden verstaan elk van deze functies afzonderlijk. Dit brengt mee dat de verzekerde in de hier bedoelde gevallen voor de toepassing van de ZW ongeschikt is voor ”zijn arbeid”, als hij voor al deze functies ongeschikt is. In het onderhavige geval moet als ”zijn arbeid” worden aangemerkt de functies die aan appellant zijn voorgehouden bij het besluit waarbij zijn WAO-uitkering is ingetrokken.

4.2. In dat kader stelt de Raad voorop dat het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering per 22 februari 2006 in rechte vaststaat. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, voegt de Raad daaraan toe dat in het kader van de beoordeling van de aanspraken van appellant op grond van de ZW, de medische en arbeidskundige grondslag die heeft geleid tot de beëindiging van de WAO-uitkering per 22 februari 2006 derhalve niet meer ter discussie kan worden gesteld. Dat betekent dat in dit geding van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid van appellant, zoals door de verzekeringsarts omschreven in de FML van 25 november 2005, alsmede van de geschiktheid van appellant voor de in dat kader geduide functies dient te worden uitgegaan. Mitsdien is het Uwv bij de beoordeling van de aanspraak van appellant op een ZW-uitkering terecht uitgegaan van deze functies als zijn maatstaf arbeid.

4.3. In het kader van de beoordeling van de aanspraak van appellant op een ZW-uitkering ziet de Raad in de beschikbare medische informatie omtrent appellant onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Naar het oordeel van de Raad hebben de verzekeringsarts Bake en de bezwaarverzekeringsarts Admiraal in hun rapportages overtuigend aangegeven dat er geen medisch objectiveerbare afwijkingen aantoonbaar zijn op basis waarvan arbeidsongeschiktheid voor de geduide functies te rechtvaardigen is in verband met de lichamelijke of psychische klachten van appellant op de datum in geding. Appellant heeft zijn in hoger beroep herhaalde standpunt dat zijn beperkingen zijn onderschat niet met nadere medische gegevens onderbouwd. De grief van appellant dat de rechtbank van een onjuiste datum is uitgegaan met betrekking tot de aanvang van zijn behandeling bij NOAGG, kan niet tot een ander oordeel leiden omdat hieruit geen gevolgen voortvloeien voor het door de Raad onderschreven standpunt dat appellant met ingang van 2 april 2007 niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Mitsdien is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft besloten appellant met ingang van 2 april 2007 niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW.

4.4. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2009.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) J.M. Tason Avila.

EK