Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3084

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
12-11-2009
Zaaknummer
07-6360 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De Raad heeft deskundigen geraadpleegd. Deze deskundigen kunnen zich verenigen met de ten aanzien van appellant aangenomen belastbaarheid, neergelegd in de FML. In beginsel wordt het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige gevolgd. Geen aanleiding van dat uitgangspunt af te wijken. In de omstandigheid dat het Uwv ruim zes maanden na de datum in geding de WAO-uitkering heeft verhoogd, ziet de Raad onvoldoende grond om te oordelen dat de belastbaarheid van appellant per de datum in geding onjuist zou zijn vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6360 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 oktober 2007, 06/8094 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad hebben A.J. Fouwels, psychiater, en B.G. Heij, psychiater i.o., appellant onderzocht en op 11 juni 2009 verslag gedaan van hun bevindingen en conclusies.

Het Uwv heeft desgevraagd bij brief van 23 juni 2009 (met bijlage) een reactie gegeven op het rapport van Fouwels en Heij. Appellant heeft op deze brief gereageerd bij brief van 14 juli 2009.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv bij brief van 10 augustus 2009 enkele vragen beantwoord en stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2009. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.G. Prijor.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als medewerker verkoop binnendienst bij [werkgever]. Op 23 februari 1998 is hij voor die werkzaamheden uitgevallen wegens psychische klachten. Met ingang van 21 februari 1999 is aan hem een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een in januari 2006 door het Uwv gestarte herbeoordeling heeft medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Op basis van de bevindingen en conclusies uit die onderzoeken heeft het Uwv bij besluit van 11 april 2006 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 11 juni 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2. Het Uwv heeft bij besluit van 31 augustus 2006 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. In het kader van de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts A. Mirza op 21 augustus 2006 rapport uitgebracht, waarin zij is ingegaan op de door appellant in bezwaar ingebrachte medische gegevens en de op haar verzoek verstrekte informatie van de behandelend psychiater van appellant, W. Vetter, en waarin zij als haar opvatting te kennen heeft gegeven dat de belastbaarheid van appellant, als neergelegd in de zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 maart 2006, correct is te achten. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. De rechtbank heeft daartoe - kort weergegeven - overwogen dat zij geen aanleiding zag voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv onzorgvuldig is te achten of om het medisch oordeel van die artsen onjuist te achten. De rechtbank kon instemmen met de vaststelling van de verzekeringsartsen dat ten aanzien van appellant geen sprake was van de situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden en dat de psychische klachten van appellant adequaat zijn meegenomen in de FML. Daarbij is, zo overwoog de rechtbank, acht geslagen op de ruim aanwezige medische informatie met betrekking tot de psychische gesteldheid van appellant. Wat de geschiktheid in medisch opzicht van de aan appellant door de arbeidsdeskundige van het Uwv voorgehouden functies betreft, heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende was gemotiveerd, maar dat het Uwv in beroep alsnog voldoende heeft gemotiveerd dat die functies, ondanks bij die functies voorkomende signaleringen, geen overschrijding opleveren van de belastbaarheid van appellant op de in geding zijnde datum. Om die reden heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde bestreden besluit in stand blijven.

4.1. Appellant heeft aangegeven het niet eens te zijn met het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, omdat in zijn ogen het Uwv de ernst en omvang van zijn klachten heeft onderschat. Zijn psychische en lichamelijke klachten zijn zodanig, zo heeft appellant gesteld, dat hij daardoor in zijn dagelijks functioneren ernstig wordt belemmerd. Ook met de reactie van de bezwaarverzekeringsarts Mirza van 22 juni 2009 op het rapport van Fouwels en Heij is appellant het oneens. Appellant heeft tot slot meegedeeld dat het Uwv de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per 28 december 2006 weer heeft verhoogd naar de klasse van 65 tot 80%.

4.2. Het Uwv heeft in zijn verweerschrift aangegeven van mening te zijn dat ten aanzien van appellant de juiste beperkingen zijn gesteld, dat het in dit geding gaat om de datum 11 juni 2006, zodat later opgekomen lichamelijke klachten niet in de huidige beoordeling kunnen worden meegenomen en dat in zijn ogen het door Fouwels en Heij op 11 juni 2009 uitgebrachte rapport niet hoeft te leiden tot een ander standpunt dan dat wat in het bestreden besluit is neergelegd. Tot slot heeft het Uwv erkend dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van 28 december 2006 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Het Uwv heeft evenwel gesteld dat die verhoging slechts zorgvuldigheidshalve heeft plaatsgevonden, omdat er in verband met de ziekmelding van appellant per 30 november 2006 meteen ziekengeld is verstrekt en het medisch en arbeidskundig onderzoek dat naar aanleiding van die ziekmelding in het kader van de toepassing van de WAO (Amber) had moeten volgen pas in december 2008 en januari 2009 heeft plaatsgehad. Om die reden kan die verhoging in de ogen van het Uwv geen betekenis hebben voor de beoordeling per de in geding zijnde datum 11 juni 2006.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1. De Raad heeft in de voorhanden zijnde medische gegevens en hetgeen appellant omtrent de aard en ernst van zijn psychische klachten naar voren heeft gebracht, aanleiding gezien om een onderzoek door een deskundige te laten verrichten. De door de Raad als deskundigen geraadpleegde psychiater Fouwels en psychiater i.o. Heij hebben in hun rapport van 11 juni 2009 ten aanzien van appellant als diagnose gesteld een dysthyme stoornis en als differentiaal diagnose een depressieve stoornis, matig ernstig, en te kennen gegeven trekken te zien van een vermijdende persoonlijkheidsstoornis. Het lijkt de deskundigen aannemelijk, gelet op de chroniciteit en het relatief constante beloop van de klachten, alsmede gelet op informatie van de GGZ Haagstreek, dat deze ziekte ook op de in geding zijnde datum bestond. Op de vraag of zij zich kunnen verenigen met de ten aanzien van appellant aangenomen belastbaarheid, neergelegd in de FML van 9 maart 2006, hebben zij geantwoord dat zij daarover globaal een uitspraak kunnen doen en dat zij de door de bezwaarverzekeringsarts aangegeven beperkingen van toepassing achten op appellant.

5.2. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Dit brengt de Raad tot het oordeel dat er onvoldoende grond is om aan te nemen dat het Uwv bij het bestreden besluit de belastbaarheid van appellant niet juist heeft vastgesteld. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat het rapport van Fouwels en Heij van 11 juni 2009 onvoldoende steun biedt voor de stelling van appellant dat zijn psychische klachten bij het bestreden besluit zijn onderschat. Ook in de omstandigheid dat het Uwv ruim zes maanden na de datum in geding de WAO-uitkering heeft verhoogd, ziet de Raad onvoldoende grond om te oordelen dat de belastbaarheid van appellant per de datum in geding onjuist zou zijn vastgesteld. De Raad vindt in de door het Uwv geschetste gang van zaken met betrekking tot deze verhoging voldoende steun voor dat oordeel. Tot slot is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het Uwv in beroep genoegzaam heeft toegelicht dat de aan appellant voorgehouden functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

5.3. Op grond van hetgeen onder 5.1 en 5.2 is overwogen, is de Raad van oordeel dat het hoger beroep van appellant geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en H. Bedee en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

IvR