Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3070

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
12-11-2009
Zaaknummer
08-4153 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante wordt per 23 januari 2007 nog wel arbeidsongeschikt geacht, maar niet meer als gevolg van zwangerschaps- of bevallingsklachten. De gegevens, 7 ½ maand na de bevalling, bevestigen het beeld dat er bij appellante sprake is van psychische klachten, maar dat er bij appellante geen sprake is van een post-partum depressie met een beeld van evidente depressiviteit binnen vier weken na de bevalling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/4153 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] in Duitsland (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 29 mei 2008, 07/893 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. Foppen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand N.V. te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2009 waar appellante is verschenen bijgestaan door mr. Foppen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Metus.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is van 6 februari 2006 tot 21 augustus 2006 in dienst geweest bij [naam werkgever] als medewerkster contactcenter. Op 27 september 2006 is appellante bevallen van een dochter. Gedurende de periode van 27 september 2006 tot 12 december 2006 heeft appellante een uitkering ingevolge de Wet arbeid en zorg ontvangen. Aansluitend is haar ziekengeld toegekend op grond van artikel 29a van de Ziektewet.

1.2. Bij besluit van 14 februari 2007 heeft het Uwv appellante medegedeeld dat zij per 23 januari 2007 nog wel arbeidsongeschikt wordt geacht, maar niet meer als gevolg van zwangerschaps- of bevallingsklachten.

1.3. Bij besluit van 14 september 2007 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 14 februari 2007 ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzekeringsarts appellante op 23 januari 2007 heeft gezien en dat de verzekeringsarts daarbij tot de conclusie is gekomen dat de bloedwaarde van appellante weer goed was, dat verder bloedonderzoek geen afwijkingen opleverde en er voor de moeheidsklachten van appellante geen duidelijke oorzaak was aan te wijzen.

2.2. De rechtbank heeft verder overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn beoordeling tevens de informatie betrokken heeft van huisarts Van Leeuwen van 21 maart 2007. Deze constateert dat er bij appellante aanvankelijk sprake is geweest van een anaemie die is behandeld met staaltabletten; dat de diagnose moeheid zonder duidelijk oorzaak bij obesitas blijft en dat appellante is doorverwezen naar de fysiotherapeut om haar meer fit te maken. Ook de psychische problematiek van appellante acht de bezwaarverzekeringsarts niet gerelateerd aan de zwangerschap en of bevalling, gelet op opmerking van de huisarts op 15 februari 2007 dat zij “niet depressief oogt”. De bezwaarverzekeringsarts heeft voorts opgemerkt dat het huisartsenjournaal niets vermeldt over zwangerschapsproblemen en dat een groot deel van haar klachten (de niet optimale relatie met haar ouders) een niet zwangerschapsgerelateerde problematiek betreft.

2.3. Met betrekking tot de in beroep overgelegde informatie van de GGZ Drenthe van 25 oktober 2007 en 13 december 2007 was de rechtbank van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn nadere rapporten van 27 maart 2008 en 28 april 2008 afdoende heeft verantwoord waarom de door de GGZ vermelde psychische klachten (postnatale depressie, posttraumatische klachten) geen aanleiding geven om deze klachten aan de zwangerschap of bevalling te relateren.

De rechtbank was van oordeel dat het Uwv aan appellante heeft kunnen tegenwerpen dat de diagnose postnatale depressie retrospectief meer dan een jaar na de bevalling is gesteld, dat de huisarts in de journaalgegevens heeft aangegeven dat appellante niet depressief oogde en appellante toen ook zelf gezegd heeft dat er geen sprake was van een depressie, terwijl blijkens de Codex Medicus een postnatale depressie in de eerste weken van een bevalling optreedt. De rechtbank was voorts van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in dit verband heeft kunnen stellen dat er door de GGZ naast de bevalling andere factoren (relatiepatroon met haar echtgenoot en haar gezin; seksueel trauma in 1993; angsten voor bepaalde typen mannen en gebrek aan vertrouwen in andere mensen) zijn genoemd als oorzaak van haar klachten.

3. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt dat zij wel degelijk arbeidsongeschikt is ten gevolge van zwangerschap of bevalling herhaald en heeft ter onderbouwing daarvan nieuwe informatie van het GGZ Drenthe overgelegd. Het is volgens appellante niet juist dat de diagnose postnatale depressie pas een jaar na dato is vastgesteld. Reeds op 15 mei 2007 heeft de sociaal psychiatrisch verpleegkundige van het GGZ vastgesteld dat er sprake was van een postnatale depressie. Deze diagnose is onderschreven door GZ-psycholoog U. Saathof.

4.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad voegt hier nog aan toe ook betekenis te hechten aan de vaststelling door de bezwaarverzekeringsarts in diens rapportage van 28 april 2008 dat het huisartsenjournaal over de eerste weken na de partus niets vermeldt. Met betrekking tot de in hoger beroep overgelegde nieuwe informatie van het GGZ Drenthe van 15 mei 2007 en 1 september 2008 onderschrijft de Raad de reactie van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in de rapportage van 16 september 2009 dat de gegevens, 7 ½ maand na de bevalling, het beeld bevestigen dat er bij appellante sprake is van psychische klachten, maar dat er bij appellante geen sprake is van een post-partum depressie met een beeld van evidente depressiviteit binnen vier weken na de bevalling.

4.2. Uit hetgeen onder 2.1 tot en met 4.2 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.1. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2009.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) J.M. Tason Avila.

EK