Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3041

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
12-11-2009
Zaaknummer
09-867 ZW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. De Raad beantwoordt de vraag of appellant per 25 september 2006 in staat is geweest zijn arbeid als medewerker groenvoorziening voor 24 uur per week te verrichten bevestigend. De Raad heeft -evenals de rechtbank- in de beschikbare gegevens geen aanwijzingen gevonden, dat het medisch onderzoek door het Uwv niet zorgvuldig zou zijn geweest. Niet is gebleken dat appellant per 25 september 2006 ongeschikt zou zijn voor het werk van medewerker groenvoorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/867 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 januari 2009, 08/2731 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.G.U. Compri, advocaat in Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 30 september 2009, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, laatstelijk voor 24 uur per week werkzaam als medewerker groenvoorziening, is op 27 maart 2006 uitgevallen met klachten van misselijkheid en duizeligheid. Nadat verzekeringsarts W.T.M. Swartjes appellant tijdens het spreekuur op 19 september 2006 heeft onderzocht is appellant per 25 september 2006 hersteld verklaard.

1.2. Bij besluit van 27 september 2006 heeft het Uwv appellant meegedeeld, dat hij vanaf 25 september 2006 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid en daarom met ingang van 25 september 2006 geen recht (meer) heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW).

1.3. Het tegen het besluit van 27 september 2006 gerichte bezwaar van appellant is na een heroverweging door bezwaarverzekeringsarts S. Gommers op 24 mei 2007 bij besluit van 14 juni 2007 ongegrond verklaard.

2.1. In haar uitspraak van 21 januari 2008 heeft de rechtbank vastgesteld, dat het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen dat het ziekteproces van appellant per datum in geding zodanig verbeterd was, dat hij voldoende belastbaar werd geacht om arbeid te verrichten, niet overeenstemt met de visie van behandelend psychiater F. Kaya, zoals neergelegd in de brieven van 23 april 2007 en 24 mei 2007 en van bedrijfsarts M.A. Koop, zoals beschreven in diens rapport van 1 november 2007. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld, dat het Uwv slechts kort op het rapport van de behandelende psychiater heeft gereageerd en dat een reactie op het later ingediende rapport van de bedrijfsarts is uitgebleven. De rechtbank heeft het besluit van 14 juni 2007 vernietigd vanwege strijd met het in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde motiveringsbeginsel, omdat gerede twijfel is ontstaan aan de juistheid van de medische grondslag van het besluit.

2.2. Beide partijen hebben in deze uitspraak berust.

3. Op verzoek van het Uwv heeft psychiater N. de Mooij op 9 mei 2008 een expertise verricht, teneinde duidelijkheid te krijgen over de psychische beperkingen van appellant. Naar het oordeel van psychiater De Mooij was sprake van een depressie in enge zin, maar kon appellant per 25 september 2006 in staat worden geacht werkzaamheden te verrichten. Nadat bezwaarverzekeringsarts C.G. van der Kooij op 29 mei 2008 heeft gerapporteerd, is het bezwaar bij besluit van 30 mei 2008 (hierna: het bestreden besluit) wederom ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.

5. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld, dat de rechtbank ten onrechte doorslaggevende betekenis heeft gehecht aan het oordeel van de door het Uwv ingeschakelde deskundige.

6.1. De Raad overweegt als volgt.

6.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

6.3. De Raad beantwoordt de vraag of appellant per 25 september 2006 in staat is geweest zijn arbeid als medewerker groenvoorziening voor 24 uur per week te verrichten bevestigend.

6.4. De Raad heeft -evenals de rechtbank- in de beschikbare gegevens geen aanwijzingen gevonden, dat het medisch onderzoek door het Uwv niet zorgvuldig zou zijn geweest. Vanwege het verschil van inzicht omtrent de belastbaarheid van appellant tussen behandelend psychiater Kaya en bedrijfsarts Koop aan de ene kant en de verzekerings- en bezwaarverzekeringsarts aan de andere kant, heeft het Uwv een deskundige ingeschakeld. Deze heeft kennis genomen van alle relevante stukken en op 13 mei 2008 uitgebreid gerapporteerd. De Mooij is tot de conclusie gekomen dat appellant in staat kon worden geacht werkzaamheden te verrichten, zoals die voor de datum van uitval verricht werden. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om de conclusie van De Mooij niet te volgen. De omstandigheid dat appellant stelt zich niet te herkennen in enkele passages in het rapport moge zo zijn, maar is geen reden de conclusie van De Mooij voor onjuist te houden.

6.5. Ook overigens is de Raad niet gebleken dat appellant per 25 september 2006 ongeschikt zou zijn voor het werk van medewerker groenvoorziening.

6.6. Hetgeen is overwogen onder 6.2 tot en met 6.5 leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6.7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2009.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) J.M. Tason Avila.

EK