Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3023

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
12-11-2009
Zaaknummer
09-2733 ZW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt een herhaling van de gronden die hij reeds in eerste aanleg heeft aangevoerd. Gezien de onderzoeksbevindingen en de belasting in het eigen werk wordt appellant door de bezwaarverzekeringsarts in staat geacht voor het werk als magazijnmedewerker gedurende 34 uur per week. Gelet op de gedingstukken en op hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding om aan de juistheid van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts te twijfelen. Appellant heeft zijn in hoger beroep herhaalde standpunt dat zijn beperkingen zijn onderschat niet met nadere medische gegevens onderbouwd. Mitsdien is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft besloten appellant met ingang van 1 februari 2007 niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/2733 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 april 2009, 08/7464 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. van der Giesen, advocaat te Gouda, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Giesen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van Nood.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als magazijnmedewerker, heeft zich op 22 september 2006 vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving ziek gemeld met spierpijn en gewrichtsklachten. Hierop heeft het Uwv aan appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2. Na een onderzoek op 26 januari 2007 door de verzekeringsarts A.W.J. Teunissen, heeft deze namens het Uwv bij besluit van 26 januari 2007 aan appellant meegedeeld dat hij vanaf 1 februari 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Bij besluit van 8 maart 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 januari 2007, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer van 5 maart 2007, ongegrond verklaard.

1.3. Bij uitspraak van 23 april 2008 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 8 maart 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak, met toekenning van vergoeding van proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de door appellant overgelegde medische rapportages naar voren komt dat hij aanzienlijk meer beperkt is dan door de verzekeringsartsen van het Uwv is aangenomen en voorts dat uit hun rapportages niet blijkt of zij een duidelijk beeld hadden van de aard en de zwaarte van het werk van appellant als magazijnmedewerker.

1.4. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 23 april 2008 heeft het Uwv op 2 oktober 2008 een nieuw besluit op bezwaar genomen (het bestreden besluit) en daarbij het bezwaar van appellant, onder verwijzing naar rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige M.B. Thür-Emmerich van 16 september 2008 en van de bezwaarverzekeringsarts Lustenhouwer van 24 september 2008, wederom ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv bij het nemen van het bestreden besluit over voldoende gegevens beschikte om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor appellant geldende beperkingen te komen en dat de medische grondslag van het bestreden besluit afdoende is gemotiveerd. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 16 september 2008 een duidelijk beeld van het eigen werk van appellant is gegeven en dat appellant terecht geschikt is geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Mitsdien heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden besloten appellant met ingang van 1 februari 2007 niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW.

3. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat, gelet op de door hem in geding gebrachte medische rapportages, zijn beperkingen zijn onderschat en dat ook uit de Functionele Mogelijkheden Lijst uit 2002 blijkt dat zijn werk als magazijnmedewerker onverenigbaar is met de destijds vastgestelde beperkingen. Voorts heeft appellant gesteld dat onvoldoende is onderbouwd dat hij gedurende 34 uur per week in staat zou zijn werk als magazijnmedewerker te verrichten.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt een herhaling van de gronden die hij reeds in eerste aanleg heeft aangevoerd. De Raad verenigt zich met het ter zake gegeven oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad volstaat dan ook met een verwijzing naar de rapportages van bezwaarverzekeringsarts Lustenhouwer van 24 september 2008 en 11 december 2008 waarin, onder verwijzing naar de door appellant overgelegde medische informatie, is aangegeven dat een duidelijke medische basis voor de pijnklachten van appellant ontbrak en dat in de FML van 2002 niet echt ter zake doet, terwijl daarin slechts lichte beperkingen zijn aangegeven en de ongeschiktheid van appellant voor zijn werk als magazijnmedewerker nog maar valt te bezien. Gezien de onderzoeksbevindingen en de belasting in het eigen werk wordt appellant door de bezwaarverzekeringsarts in staat geacht voor het werk als magazijnmedewerker gedurende 34 uur per week. Gelet op de gedingstukken en op hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding om aan de juistheid van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts te twijfelen. Appellant heeft zijn in hoger beroep herhaalde standpunt dat zijn beperkingen zijn onderschat niet met nadere medische gegevens onderbouwd. Mitsdien is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft besloten appellant met ingang van 1 februari 2007 niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW.

4.2. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen, volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2009.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) J.M. Tason Avila.

EK