Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3015

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2009
Datum publicatie
12-11-2009
Zaaknummer
07-6490 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Juistheid medische grondslag. Maximering maatman. Voldoende medische grondslag. Beroep op gelijkheidsbeginsel. Beperkte terugwerkende kracht van de wijziging van het Schattingsbesluit in verband met de aanpassing van de leeftijdsgrens voor toepassing van het met ingang van 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit (LJN BH0312).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6490 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15 oktober 2007, 06/4184 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2009.

Appellant is – met kennisgeving – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.C. Röttjers.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren [in] 1959, was werkzaam als plotter toen hij zich met ingang van 29 september 2003 arbeidsongeschikt meldde als gevolg van rechter schouderklachten. Het Uwv heeft bij besluit van 5 oktober 2004 aan appellant, in aansluiting op het volmaken van de wettelijke wachttijd, met ingang van 27 september 2004 een volledige uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend.

2. Bij besluit van 28 april 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 19 juni 2006 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was. Dit besluit berustte op verzekeringsgeneeskundig onderzoek waarvan in een rapport van 27 februari 2006 verslag is gedaan. Volgens dit rapport is op basis van de diagnose bursitis vastgesteld dat appellant aangewezen is op rechterschouder en -arm sparend werk en is beschreven dat appellant beperkt is ten aanzien van krachtfuncties, het heffen boven schouderhoogte, zware en piekbelastingen en langdurig gedwongen houdingen of standen. Voorts is bij dit onderzoek een lichte cognitieve functiestoornis in verband met een kleine TIA in 2005 waargenomen. Deze beperkingen werden neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Bij het arbeidskundig onderzoek werd vervolgens na functieduiding berekend dat het verlies aan verdienvermogen minder dan 15% was.

3. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 15 september 2006 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De bezwaarverzekeringsarts A. Deitz onderschreef in een rapport van 6 juli 2006 het in overweging 2 vermelde verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De bezwaararbeidsdeskundige M. Prosée liet in een rapport van 12 september 2006 enkele functies vervallen, baseerde de schatting uiteindelijk op de functies machinaal metaalbehandelaar (SBC 264121), parkeercontroleur (SBC 342022) en elektronicamonteur (SBC 267040), lichtte de signaleringen toe en berekende het verlies aan verdienvermogen op 9,27%.

4.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft voorts bepaald dat de rechtsgevolgen van vernietigde bestreden besluit in stand blijven en beslissingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht gegeven.

4.2. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit juist geacht. Volgens de rechtbank heeft appellant zijn stelling dat meer beperkingen zouden dienen te gelden niet met medische gegevens onderbouwd en er in dit verband op gewezen dat de gemachtigde van appellant op haar zitting van 28 september 2007 heeft aangegeven één en ander ook niet nader te kunnen onderbouwen. Voorts achtte de rechtbank de medische geschiktheid van de in overweging 3 vermelde functies voldoende toegelicht. Verder wees de rechtbank af het beroep van appellant op het regeerakkoord dat leidde tot een wijziging van het geldende Schattingsbesluit op 29 augustus 2007 welke volgens het overgangsrecht evenwel niet verder terugwerkte dan tot 22 februari 2007. Gelet hierop bleef volgens de rechtbank op de datum in geding ten aanzien van appellant het met ingang van 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit van toepassing. De rechtbank heeft tevens geoordeeld dat het Uwv ten onrechte de omvang van de maatman heeft gemaximeerd op 38 uur per week, terwijl appellant voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid gemiddeld 39,73 uur per week werkzaam was. De rechtbank heeft hierin, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 2 maart 2007 (LJN AZ9652), aanleiding gezien het bestreden besluit te vernietigen. De rechtbank heeft tevens de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten omdat ook bij het laten vervallen van de maximering van de maatman het loonverlies minder dan 15% bleef.

5. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de in het aanvullend bezwaarschrift en beroepschrift gebezigde gronden door de rechtbank niet (voldoende) zijn weerlegd. Daarnaast is met een beroep op het gelijkheidsbeginsel aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat voor appellant het Schattingsbesluit, zoals dat luidde voor

1 oktober 2004, eerst zou gelden vanaf 22 februari 2007, althans kan het overgangsrecht niet in die zin worden uitgelegd.

6.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Appellant heeft geen medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat hij in het bijzonder meer beperkt is voor langdurige handelingen of bewegingen van de rechterschouder dan in de FML is aangegeven op die onderdelen die, naar het de Raad voorkomt, mede zien op de duur van die belastingen.

6.2. Wat betreft het door appellant in overweging 5 gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel om reden van de beperkte terugwerkende kracht tot en met 22 februari 2007 van de wijziging van het Schattingsbesluit bij Besluit van 29 augustus 2007 (Stb. 2007, 324) in verband met de aanpassing van de leeftijdsgrens voor toepassing van het met ingang van 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit volstaat de Raad met verwijzing naar zijn uitspraak van 22 april 2004 (LJN BH0312) en met de vaststelling dat er geen aanleiding bestaat daarover in dit geval anders te oordelen.

6.3. De overwegingen 6.1 en 6.2 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

JL