Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3012

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2009
Datum publicatie
12-11-2009
Zaaknummer
08-2966 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Juistheid medische belastbaarheid. Functies passend. Voldoende overtuigend gemotiveerd waarom de signaleringen geen ontoelaatbare overschrijding van de belastbaarheid van appellante inhouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2966 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 april 2008, 07/2540 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2009. Appellante is niet verschenen, zoals tevoren aangekondigd. Het Uwv was vertegenwoordigd door drs. C.L. Schuren.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 28 april 2000 uitgevallen voor haar werk als inpakster wegens rug- en nekpijn na een verkeersongeval. In aansluiting op de wettelijke wachttijd voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is appellante ingaande 27 april 2001 een WAO-uitkering toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In 2006 is appellante tweemaal door een verzekeringsarts onderzocht waarna een functionele mogelijkhedenlijst (FML) is opgesteld. Door de arbeidsdeskundige zijn diverse functies geselecteerd aan de hand waarvan hij de mate van arbeidsongeschiktheid heeft berekend op 0%.

1.3. Bij besluit van 15 maart 2007 is de WAO-uitkering van appellante ingaande 10 mei 2007 ingetrokken op de grond dat de arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.

1.4. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, waarbij zij informatie van de huisarts heeft overgelegd. Bij besluit op bezwaar van 27 juli 2007 is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2.1. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 27 juli 2007. In de loop van die procedure heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar van 18 oktober 2007 (hierna: bestreden besluit) genomen, waarbij het bezwaar gegrond is verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante ingaande 10 mei 2007 alsnog op 15 tot 25% is bepaald.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante, ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 27 juli 2007 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en aanvullende beslissingen gegeven aangaande vergoeding aan appellante van proceskosten.

2.3. De rechtbank heeft hierbij - voor zover in hoger beroep van belang - overwogen dat zij de door de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv aangenomen medische beperkingen kan onderschrijven. Het medisch onderzoek heeft de rechtbank zorgvuldig geoordeeld en de conclusies daarvan achtte zij voldoende draagkrachtig gemotiveerd. De rechtbank overwoog dat van de kant van appellante geen medische stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat haar beperkingen zijn onderschat.

2.4. Met betrekking tot de nader aan de schatting ten grondslag gelegde functies overwoog de rechtbank dat met de in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 2 oktober 2007 gegeven motivering voldaan is aan de ter zake geldende eisen.

3.1. In hoger beroep heeft appellante volstaan met te verwijzen naar hetgeen zij in eerdere fasen van de procedure heeft aangevoerd. Zij heeft voorts benadrukt dat zij psychische klachten heeft, naast rug- en nekklachten en dat zij van mening blijft dat door het Uwv onjuiste medische beperkingen zijn vastgesteld. De geduide functies zijn in redelijkheid niet passend te achten.

3.2. Namens het Uwv is gesteld dat appellante haar standpunt niet met (nieuwe) medische gegevens onderbouwt.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig is te achten. De verzekeringsarts heeft op 20 december 2006 zowel lichamelijk als psychisch onderzoek verricht en de bezwaarverzekeringsarts J.P.M. Joosten heeft op 20 juli 2007 op basis van het dossier, de bezwaren en de informatie van de huisarts H. Scholberg van 22 september 2006 gerapporteerd. Van de kant van appellante is ook in hoger beroep geen medische informatie ingebracht die een ander beeld geeft van de gezondheidssituatie van appellante ten tijde hier in geding. De Raad ziet dan ook geen reden de medische belastbaarheid van appellante, zoals weergegeven in de FML van 2 januari 2007 voor onjuist te houden. Daarbij overweegt de Raad dat bij die FML beperkingen zijn aangenomen in het persoonlijk en sociaal functioneren alsmede ter zake van dynamische handelingen.

4.2. Met de rechtbank ziet de Raad voorts geen aanleiding om te oordelen dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies niet medisch passend zijn te achten. Bezwaararbeidsdeskundige R.E.T. Peters heeft in zijn rapportage van 2 oktober 2007 voldoende overtuigend gemotiveerd waarom de signaleringen geen ontoelaatbare overschrijding van de belastbaarheid van appellante inhouden.

4.3. Het hoger beroep slaagt derhalve niet. De aangevallen uitspraak - voor zover aangevallen, te weten voor zover het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard - dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A.E. van Rooij.

EK