Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3008

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2009
Datum publicatie
12-11-2009
Zaaknummer
07/7067 WAO + 07/7104 WAO + 09/304 WW + 09/320 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De rechtbank is naar het oordeel van de Raad terecht tot het oordeel gekomen dat de gronden van appellante, die zich slechts richten tegen de hoogte van het zogenoemde dagloon, niet kunnen slagen, omdat het besluit van 5 december 2006 geen besluit ter zake van de vaststelling van het dagloon bevat en ook niet behoefde te bevatten. De rechtbank dient ingeval is aangevoerd dat de redelijke termijn (als bedoeld in artikel 6 van het EVRM) is overschreden daarover een oordeel te geven. De Raad wijst op zijn uitspraak van 30 juni 2009, LJN BJ2790. De omstandigheid dat er als gevolg van nog lopende procedures aangenomen kan worden dat de termijn bedoeld in artikel 6 van het EVRM ook na de uitspraak zal doorlopen, ontslaat de rechtbank niet van voormelde verplichting. De rechtbank had tot het oordeel dienen te komen dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn die – naar onbestreden vaststaat – in een geval als het onderhavige vier jaar bedraagt. De rechtbank had mitsdien de gehele termijnoverschrijding met twee jaar en zes maanden moeten toerekenen aan het Uwv en het Uwv moeten veroordelen tot vergoeding van de schade. De rechtbank had daartoe het in die procedure bestreden besluit moeten vernietigen en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand moeten laten. De aangevallen uitspraak dient dan ook in zoverre te worden vernietigd. Naar aanleiding van het door appellante bij de Raad herhaalde verzoek om toekenning van immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn overweegt de Raad als volgt. dat de gehele overschrijding van de termijn met vier jaar en vijf maanden moet worden toegerekend aan het Uwv. Het Uwv dient mitsdien te worden veroordeeld tot vergoeding van de schade in verband met deze overschrijding. Deze vergoeding wordt bepaald op een bedrag van negen maal € 500,-, dus € 4500,- Instandlating rechtsgevolgen. De aangevallen uitspraak berust – kort samengevat – op de overweging dat appellante niet eerder dan bij aanvullend beroepschrift van 30 augustus 2007 in de rechtbankprocedure met het kenmerk 07/1207, onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Raad ten aanzien van het terugkomen van beslissingen in een situatie van een duuraanspraak, heeft verzocht om herziening van het dagloon per 2 juli 2001, zodat het Uwv terecht eerst per 30 augustus 2007 het dagloon van appellante heeft herzien. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank niet. Als gevolg van het oordeel gegeven in 3.4 staat de juistheid van de hoogte van het WAO-dagloon per 2 juli 2001 niet vast. De grondslag van het besluit van 5 oktober 2007 is mitsdien niet deugdelijk. Zowel de aangevallen uitspraak van de rechtbank van 3 december 2008, 07/1992, als het besluit van het Uwv van 5 oktober 2007 dient dan ook te worden vernietigd. Het Uwv zal naar aanleiding van het nader te nemen besluit als bedoeld in 3.4 opnieuw dienen te beslissen op het bezwaarschrift van appellante gericht tegen het besluit van het Uwv van 26 maart 2007.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/7067 WAO, 07/7104 WAO, 09/304 WW en 09/320 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van 19 november 2007, 07/72, van 19 november 2007, 07/1207, van 3 december 2008, 07/1992, en van 3 december 2008, 08/839 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Schoonbrood, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2009. Appellante was vertegenwoordigd door mr. Schoonbrood en het Uwv door A.M.C. Crombach.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij de aangevallen uitspraak van 19 november 2007, 07/72, heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen het besluit van 5 december 2006, waarbij het Uwv – opnieuw beslissend op bezwaar tegen zijn besluit van 10 mei 2001 – de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 2 juli 2001 heeft herzien naar

55 tot 65%.

1.2. De rechtbank heeft hiertoe – kort samengevat – overwogen dat de gronden van appellante, die zich slechts richten tegen de hoogte van het zogenoemde dagloon, niet kunnen slagen, omdat het besluit van 5 december 2006 geen besluit ter zake van de vaststelling van het dagloon bevat en ook niet behoefde te bevatten.

1.3. In de omstandigheid dat de procedurele relatie tussen partijen als gevolg van andere tussen partijen nog lopende procedures die zien op de hoogte van het recht op uitkering van appellante met de uitspraak van de rechtbank niet tot een einde komt, heeft de rechtbank aanleiding gevonden het verzoek van appellante om toekenning van immateriële schade als gevolg van schending van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) af te wijzen.

1.4. De rechtbank is naar het oordeel van de Raad terecht tot het oordeel als weergegeven in 1.2 gekomen. Het besluit van 5 december 2006 bevat, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, geen besluit ter zake van de vaststelling van het dagloon. Terecht ook is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de beroepsgronden van appellante die zien op de hoogte van het dagloon niet kunnen leiden tot het oordeel dat het besluit van 5 december 2006 onrechtmatig is. Het door appellante in hoger beroep wederom ingenomen standpunt dat het dagloon onjuist is vastgesteld, treft mitsdien geen doel.

1.5. Het oordeel van de rechtbank als weergegeven in 1.3 is – naar appellante terecht heeft gesteld – onjuist. De rechtbank dient ingeval is aangevoerd dat de redelijke termijn (als bedoeld in artikel 6 van het EVRM) is overschreden daarover een oordeel te geven. De Raad wijst op zijn uitspraak van 30 juni 2009, LJN BJ2790. De omstandigheid dat er als gevolg van nog lopende procedures aangenomen kan worden dat de termijn bedoeld in artikel 6 van het EVRM ook na de uitspraak zal doorlopen, ontslaat de rechtbank niet van voormelde verplichting.

1.6. De rechtbank had tot het oordeel dienen te komen dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn die – naar onbestreden vaststaat – in een geval als het onderhavige vier jaar bedraagt. Ten tijde van de uitspraak van de rechtbank op

19 november 2007 was sedert de ontvangst van het inleidend bezwaarschrift door het Uwv op 22 mei 2001 een termijn van zes jaar en zes maanden verstreken. Voorts had de rechtbank tot het oordeel dienen te komen dat – zoals door partijen in hoger beroep overigens ook niet is bestreden – op geen enkel moment in de procedure de termijn waarbinnen appellante een rechterlijk oordeel dient te krijgen, is overschreden. De rechtbank had mitsdien de gehele termijnoverschrijding met twee jaar en zes maanden moeten toerekenen aan het Uwv en het Uwv moeten veroordelen tot vergoeding van de schade. De rechtbank had daartoe het in die procedure bestreden besluit moeten vernietigen en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand moeten laten. De aangevallen uitspraak dient dan ook in zoverre te worden vernietigd.

1.7. Naar aanleiding van het door appellante bij de Raad herhaalde verzoek om toekenning van immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn overweegt de Raad als volgt. Ten tijde van deze uitspraak van de Raad heeft de procedure in totaal acht jaar en ongeveer vijf maanden geduurd. Ook de behandeling van het onderhavige hoger beroep heeft plaatsgevonden binnen de daarvoor staande termijn. Dit betekent, mede gelet op hetgeen reeds bij 1.6 is overwogen, dat de gehele overschrijding van de termijn met vier jaar en vijf maanden moet worden toegerekend aan het Uwv.

Het Uwv dient mitsdien te worden veroordeeld tot vergoeding van de schade in verband met deze overschrijding. Deze vergoeding wordt bepaald op een bedrag van negen maal € 500,-, dus € 4500,-. Voor de wijze waarop de overschrijding van de redelijke termijn wordt vastgesteld en de voor vergoeding in aanmerking komende schade wordt berekend, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 maart 2009, LJN BH9991, overweging 8.1 en verder.

1.8. Gelet op hetgeen is overwogen bij 1.4 en 1.7 kunnen de rechtsgevolgen van het besluit van 5 december 2006 geheel in stand blijven.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak van 19 november 2007, 07/1207, heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen het besluit van 2 juli 2007, waarbij het Uwv – beslissend op bezwaar tegen zijn besluit van 21 februari 2007 – heeft gehandhaafd zijn besluit over de vaststelling, inclusief rente, van het recht op nabetaling van een arbeidsongeschiktheidsuitkering over de periode van 2 juli 2006 tot en met 31 december 2006.

2.2. De rechtbank heeft hiertoe – kort samengevat – overwogen dat de gronden van appellante, die zich slechts richten tegen de hoogte van het dagloon, niet kunnen slagen, omdat het besluit van 2 juli 2007 geen besluit ter zake van de vaststelling van het dagloon bevat en ook niet behoefde te bevatten.

2.3. De rechtbank is terecht tot het oordeel als weergegeven in 2.2 gekomen. Het besluit van 2 juli 2007 bevat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, geen besluit ter zake van de vaststelling van het dagloon. De beroepsgronden van appellante, die zien op de hoogte van het dagloon, kunnen mitsdien niet leiden tot het oordeel dat het besluit van

2 juli 2007 onrechtmatig is. Het door appellante in hoger beroep wederom ingenomen standpunt dat het dagloon onjuist is vastgesteld, treft mitsdien geen doel. Deze aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak van 3 december 2008, 08/839, heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen het besluit van 24 april 2008, waarbij het Uwv – beslissend op bezwaar tegen zijn besluit van 8 februari 2008 – heeft gehandhaafd zijn besluit het WAO-dagloon van appellante te herzien per 30 augustus 2007.

3.2. De aangevallen uitspraak berust – kort samengevat – op de overweging dat appellante niet eerder dan bij aanvullend beroepschrift van 30 augustus 2007 in de rechtbankprocedure met het kenmerk 07/1207, onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Raad ten aanzien van het terugkomen van beslissingen in een situatie van een duuraanspraak, heeft verzocht om herziening van het dagloon per 2 juli 2001, zodat het Uwv terecht eerst per 30 augustus 2007 het dagloon van appellante heeft herzien.

3.3. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank weergegeven in 3.2 niet. De door de rechtbank bedoelde jurisprudentie houdt – kort samengevat – in dat bij de beoordeling van de wijze waarop het Uwv gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid neergelegd in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onderscheid wordt gemaakt tussen verleden en toekomst. Bij het antwoord op de vraag of herziening naar de toekomst is aangewezen, dient het Uwv een zorgvuldige en evenwichtige belangenafweging te verrichten. Uit deze jurisprudentie vloeit geenszins voort dat bij een verzoek om herziening als in geding uitdrukkelijk dient te worden verwezen naar de jurisprudentie van de Raad als bedoeld onder 3.2. Ook uit de Awb vloeit niet voort dat appellante een verzoek om herziening dient te onderbouwen met een verwijzing naar jurisprudentie. Voldoende is dat appellante duidelijk maakt dat zij het niet eens is met een ten aanzien van haar genomen, in rechte onaantastbaar geworden besluit en dat zij wenst dat dit besluit wordt gewijzigd. De aangevallen uitspraak vermeld in 3.1 dient mitsdien te worden vernietigd.

3.4. Het besluit van 24 april 2008 rust, voor zover hier van belang, slechts op de door de rechtbank gevolgde overweging dat appellante niet eerder dan in het in overweging 3.2 vermelde aanvullend beroepschrift van 30 augustus 2007 naar meerbedoelde jurisprudentie heeft verwezen. Gelet op hetgeen is overwogen in 3.3 dient het beroep tegen dit besluit gegrond te worden verklaard en dient dit besluit te worden vernietigd op de grond dat het besluit niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

Het Uwv zal alsnog – op basis van nader te verrichten onderzoek – dienen te bepalen op welk moment appellante op duidelijke wijze heeft aangegeven dat en per wanneer zij herziening van het ten aanzien van haar vastgestelde WAO-dagloon wenst.

De Raad tekent hierbij ter voorkoming van misverstanden aan dat zijn tussen partijen gewezen uitspraak van 24 december 2003, 02/3714, slechts ziet op de herziening van het dagloon per 1984. Die uitspraak staat een herziening per de door appellante gewenste datum 2 juli 2001 niet in de weg.

4.1. Bij de aangevallen uitspraak van 3 december 2008, 07/1992, heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellante gericht tegen het besluit van 5 oktober 2007, waarbij het Uwv – beslissend op bezwaar tegen zijn besluit van 26 maart 2007 en voor zover hier van belang – heeft gehandhaafd zijn besluit het WW-dagloon per 2 juli 2001 vast te stellen op een bedrag van € 17,33. De rechtbank heeft hiertoe – kort samengevat en onder verwijzing naar haar uitspraak van 3 december 2008, 08/839 – overwogen dat, nu het Uwv terecht het WAO-dagloon niet eerder heeft herzien dan per 30 augustus 2007, het Uwv terecht het WW-dagloon heeft afgeleid van het op 2 juli 2001 niet herziene WW-dagloon.

4.2. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank niet. Als gevolg van het oordeel gegeven in 3.4 staat de juistheid van de hoogte van het WAO-dagloon per 2 juli 2001 niet vast. De grondslag van het besluit van 5 oktober 2007 is mitsdien niet deugdelijk. Zowel de aangevallen uitspraak van de rechtbank van 3 december 2008, 07/1992, als het besluit van het Uwv van 5 oktober 2007 dient dan ook te worden vernietigd. Het Uwv zal naar aanleiding van het nader te nemen besluit als bedoeld in 3.4 opnieuw dienen te beslissen op het bezwaarschrift van appellante gericht tegen het besluit van het Uwv van 26 maart 2007.

5. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten voor verleende rechtsbijstand worden begroot op in totaal € 1.932,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak van 19 november 2007, 07/72;

Vernietigt het besluit op bezwaar van 5 december 2006;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 4.500,-;

Bevestigt de aangevallen uitspraak van 19 november 2007, 07/1207;

Vernietigt de aangevallen uitspraak van 3 december 2008, 08/839;

Vernietigt het besluit op bezwaar van 24 april 2008;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Vernietigt de aangevallen uitspraak van 3 december 2008, 07/1992;

Vernietigt het besluit op bezwaar van 5 oktober 2007;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.932,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante in totaal € 320,- van het betaalde griffierecht vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) T.J. van der Torn.

KR