Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2973

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2009
Datum publicatie
11-11-2009
Zaaknummer
08/6462 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Hennepkwekerijk. De Raad is niet gebleken dat appellant niet kan worden verweten dat hij van zijn betrokkenheid bij het kweken van hennep in zijn woning geen melding heeft gemaakt. Weliswaar heeft appellant gesteld dat anderen, door het dreigement zijn zoontje wat aan te doen, hem ertoe hebben gebracht een hennepkwekerij in zijn woning te beginnen en de inkomsten daarvan af te staan, maar deze stelling heeft appellant op geen enkele wijze onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/6462 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 9 oktober 2008, 07/1048 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 10 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Bakker, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 8 september 2009, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sedert 2 februari 2004 bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een mededeling van appellant dat hij uit zijn woning aan de [adres] te Groningen is gezet in verband met een aldaar aangetroffen hennepkwekerij, is door het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Groningen een onderzoek ingesteld. In dat kader is onder meer informatie opgevraagd bij de regiopolitie Groningen, bij de leveranciers van energie en water en bij Woningbouwvereniging Nijestee en is appellant gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 27 maart 2007. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 3 april 2007 de bijstand van appellant over de periode van 2 februari 2004 tot en met 30 juni 2004 en van 1 juli 2005 tot en met 31 juli 2005 in te trekken en de over die periodes gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 6.158,61 van appellant terug te vorderen.

1.3. Bij besluit van 11 september 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 3 april 2007 ongegrond verklaard. Aan de handhaving van de intrekking heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het College geen melding te maken van de hennepkwekerijen op zijn adres en de daaruit genoten inkomsten en dat als gevolg van die schending het recht op bijstand over de periode van 2 februari 2004 tot en met 30 juni 2004 en van 1 juli 2005 tot en met 31 juli 2005 niet meer kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 september 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Tevens heeft hij verzocht om een veroordeling tot schadevergoeding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Uit de gedingstukken blijkt dat de politie op 20 juli 2005 in de woning van appellant 234 hennepstekjes, 12 assimilatielampen van 600 watt, 12 transformatoren, 3 ventilatoren, 2 afzuigers, 4 koolstoffilters en 2 tijdklokken heeft aangetroffen. Appellant heeft op 19 maart 2007 tegenover de sociale recherche verklaard dat in december 2003 een eerste kwekerij in zijn woning is opgezet, dat hij in 2004 gedurende 6 maanden zijn huis aan derden beschikbaar heeft gesteld voor het kweken van hennep en dat er twee oogsten zijn geweest. Voorts heeft hij verklaard dat drie weken voor de politieinval in 2005 met een derde kweek van hennep is begonnen. Gelet daarop neemt de Raad als vaststaand aan dat appellant van 2 februari 2004 tot en met 30 juni 2004 en van 1 juli 2005 tot en met 20 juli 2005 betrokken is geweest bij het kweken van hennep in zijn toenmalige woning. Door daarvan bij het College niet onverwijld melding te maken, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.2. De Raad is niet gebleken dat appellant niet kan worden verweten dat hij van zijn betrokkenheid bij het kweken van hennep in zijn woning geen melding heeft gemaakt. Weliswaar heeft appellant gesteld dat anderen, door het dreigement zijn zoontje wat aan te doen, hem ertoe hebben gebracht een hennepkwekerij in zijn woning te beginnen en de inkomsten daarvan af te staan, maar deze stelling heeft appellant op geen enkele wijze onderbouwd.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de schending van de inlichtingenverplichting tot gevolg heeft gehad dat het recht op bijstand van appellant over de periode van 2 februari 2004 tot en met 30 juni 2004 niet kan worden vastgesteld. Datzelfde geldt voor het recht op bijstand over de gehele maand juli 2005. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat ingevolge artikel 45, eerste lid, van de WWB de algemene bijstand per kalendermaand wordt vastgesteld. Dat betekent dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de bijstand van appellant over de genoemde periodes in te trekken. De Raad stelt vast dat het College ten aanzien van de intrekking heeft gehandeld in overeenstemming met de ter zake gehanteerde beleidsregels. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in afwijking van de beleidsregels van intrekking van de bijstand over die periodes had moeten afzien.

4.4. Met het voorgaande is gegeven dat het College bevoegd was om op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot terugvordering van de kosten van de als gevolg van de intrekking ten onrechte betaalde bijstand. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met de ter zake van terugvordering gehanteerde beleidsregels. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van deze beleidsregels had moeten afwijken.

4.5. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd en het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding moet worden afgewezen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en O.L.H.W.I. Korte als leden in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2009.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) R.L.G. Boot.

mm