Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2862

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2009
Datum publicatie
11-11-2009
Zaaknummer
09-2352 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het licht van het voorgaande lag het op de weg van appellant aannemelijk te maken dat ten tijde in geding (niettemin) reeds door Stichting Buitenbeheer een aanvraag voor begeleidingssubsidie en de aanvullende Eurojobsubsidie ten behoeve van appellant was ingediend. De Raad moet vaststellen dat appellant daarin niet is geslaagd. Dit betekent dat ten tijde in geding van het uitblijven van een subsidiebesluit en een daarop gebaseeerde uitbetaling (nog) geen sprake was. Op die grond had het College het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 146
Gemeentewet 156
Wet werk en bijstand 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010, 5 met annotatie van G.A. le Noble
RSV 2010/49 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
ABkort 2009/486
USZ 2009/378
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2352 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 30 maart 2009, 08/3740 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (hierna: College)

Datum uitspraak: 10 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.E.L.T. Balkema, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2009. Voor appellant is, met voorafgaand bericht, niemand verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.E.M. Wagener, werkzaam bij de gemeente Arnhem.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontving sinds 26 juni 1999 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Vanaf 8 januari 2008 liep hij in het kader van het project "Werken voor de stad", een door het College geboden re-integratievoorziening, stage bij de Stichting Buitenbeheer. Bij brief van 28 januari 2008 heeft het hoofd van de afdeling Ondersteuning Werk en Inkomen aan appellant onder meer meegedeeld dat de zogeheten Eurojob voor deelnemers aan ”Werken voor de stad” vanaf 1 januari 2008 niet meer door de dienst Inwonerszaken wordt uitgekeerd als premie, maar maandelijks of eens per kwartaal als onkostenvergoeding via de organisatie waarbij de deelnemers werken. De Eurojob staat voor de vergoeding van € 1,-- per uur dat de deelnemer werkzaamheden verricht.

1.2. Op 15 mei 2008 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit over de toekenning van de Eurojob-vergoeding en het uitblijven van de betaling ervan.

1.3. Bij besluit van 31 juli 2008 heeft het College het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij is overwogen dat de brief van 28 januari 2008 een mededeling van informatieve aard betreft en niet is gericht op rechtsgevolg, zodat van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht geen sprake is. Voor zover het bezwaar is gericht tegen het uitblijven van een besluit omtrent de in de brief van 28 januari 2008 weergegeven wijziging is sprake van een ruime termijnoverschrijding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 31 juli 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat appellant niet als belanghebbende bij het (uitblijven van een) besluit tot toekenning van een subsidie aan de Stichting Buitenbeheer is aan te merken en dat hij zich voor wat betreft de betaling van de Eurojob-vergoeding tot de Stichting Buitenbeheer dient te wenden.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd en verzocht om veroordeling tot schadevergoeding (wettelijke rente).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de WWB. De hier bedoelde verordening is de Reïntegratieverordening Gemeente Arnhem (hierna: Re-integratieverordening).

4.2. In artikel 16 van de Re-integratieverordening is bepaald dat het College behalve de in hoofdstuk 3 van de verordening geregelde re-integratievoorzieningen ook andere noodzakelijke voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling kan aanbieden. Ingevolge artikel 17a van de Re-integratieverordening, voor zover hier van belang, kan het College ten aanzien van de in artikel 16 bedoelde re-integratievoorzieningen nadere regels stellen ten aanzien van onder andere de noodzakelijkheid van de voorziening, de criteria waaronder een aanspraak op de voorziening bestaat, de duur en de maximale kosten van de voorziening.

4.3. Het College heeft met toepassing van artikel 17a van de Re-integratieverordening de “Nadere regels reïntegratieverordening” (hierna: Nadere regels) vastgesteld. In artikel 8 van de Nadere regels, zoals laatstelijk vastgesteld op 13 november 2007 en bekend gemaakt op 28 november 2007, zijn bepalingen opgenomen omtrent de “Werken voor de stad”-subsidie. Onder meer is bepaald dat het College aan organisaties voor een project waarbij deelnemers stagewerkzaamheden verrichten waarbij maatschappelijk gewenste activiteiten worden verricht en waarbij een bijdrage wordt geleverd aan de kwaliteit en de leefbaarheid van de stad, op aanvraag een subsidie van maximaal € 1.250,-- per deelnemer per drie maanden verstrekt ten behoeve van de kosten verbonden aan dat project. Een deelnemer kan maximaal drie maanden aan een project deelnemen en deze termijn kan met maximaal drie maanden worden verlengd. In het zesde lid van artikel 8 is bepaald dat het bedrag van de subsidie wordt verhoogd met een bedrag van € 1,-- per uur dat de deelnemer werkzaamheden verricht tot een bepaald maximum is bereikt. In het zevende lid van dit artikel is bepaald dat de instelling de aanvullende subsidie, bedoeld in het zesde lid, maandelijks als onkostenvergoeding, onder de naam Eurojob, aan de deelnemer dient te verstrekken.

4.4.1. Ingevolge artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet worden gemeentelijke verordeningen door de raad vastgesteld voor zover de bevoegdheid daartoe niet bij wet of door de raad krachtens de wet aan het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester is toegekend. Artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet verleent voorts de raad de bevoegdheid om (onder meer) het vaststellen van een verordening over te dragen aan het college van burgemeester en wethouders, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. Uit het derde lid blijkt dat de bevoegdheid tot het vaststellen van verordeningen die gehandhaafd worden door strafbepalingen of bestuursdwang van de mogelijkheid van delegatie is uitgezonderd. Het stellen van nadere regels met betrekking tot de noodzakelijkheid van de re-integratievoorziening, de criteria waaronder aanspraak op de voorziening bestaat, de duur en de maximale kosten van de voorziening vallen daar niet onder. Er is dus sprake van overdracht door de raad krachtens de wet als bedoeld in artikel 147 van de Gemeentewet, welke in het normale bevoegdhedenstelsel als rechtsgeldig moet worden beschouwd. Dit zou echter anders kunnen zijn als de WWB, zijnde een medebewindswet waarop de betreffende bevoegdheid berust, deze bevoegdheid aan de raad zou voorbehouden althans zich tegen delegatie daarvan zou verzetten.

4.4.2. De Raad is van oordeel dat uit de tekst van artikel 8 van de WWB en de toelichting op dat artikel kan worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is geweest de gemeenteraad een exclusieve bevoegdheid toe te kennen voor het vaststellen van regels met betrekking tot het verstrekken van subsidies ten behoeve van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. De Raad verwijst naar de Memorie van Toelichting bij artikel 8 van de WWB waaruit blijkt dat de gemeenteraad een duidelijke verantwoordelijkheid heeft bij het vastleggen van het gemeentelijke re-integratiebeleid in een verordening (TK 2002-2003, 28 870, nr.13, p.37) en naar de Nota naar aanleiding van het verslag (TK 2002-2003, 28 870, p.16) waaraan het volgende wordt ontleend: “Op grond van artikel 8 van de WWB is de gemeenteraad, ter zake van het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, verplicht bij verordening regels te stellen. In deze verordening concretiseert de gemeente haar re-integratiebeleid en geeft zij, toegespitst op de lokale omstandigheden, blijk van een evenwichtige aandacht voor de groepen belanghebbenden waarvoor zij verantwoordelijk is. Het is de gemeenteraad die het college controleert op de uitvoering van het in de verordening gestelde.”. Artikel 17a van de Re-integratieverordening en - voor zover hier van belang - artikel 8 van de daarop gebaseerde Nadere regels missen, in dat licht bezien, verbindende kracht.

4.5. De Raad is van oordeel dat - voor zover hier van belang - artikel 8 van de Nadere regels kan worden opgevat als wetsinterpreterend beleid van het College ter invulling van de in de Re-integratieverordening neergelegde criteria. De Raad ziet geen aanleiding dit beleid voor onjuist te houden.

4.6. Uit de stukken is gebleken dat op 7 januari 2008 tussen de Dienst Inwonerszaken van de gemeente Arnhem, de stichting Buitenbeheer en appellant als deelnemer aan het project “Werken voor de stad” een overeenkomst is gesloten. Daarin is onder meer opgenomen dat appellant van 8 januari 2008 tot 8 juli 2008 gedurende 20 uren per week stage zal lopen bij de Stichting Buitenbeheer en dat de Dienst Inwonerszaken als tegemoetkoming voor de kosten van begeleiding een subsidie beschikbaar stelt ter hoogte van een evenredig deel van het bij een arbeidsduur van 32 uur per week geldende bedrag van € 1.250,-- per drie maanden. Ter zitting is namens het College toegelicht dat telkens aan het eind van het jaar een gebundelde verzamelaanvraag van subsidies voor de kosten van begeleiding van de afzonderlijke deelnemers pleegt te worden ingediend. Voor 2008 was dat derhalve in december 2008. De Raad merkt voorts op dat de aanvullende Eurojob-subsidie, bedoeld in artikel 8, zesde lid, van de Nadere regels, niet los kan worden gezien van evengenoemde begeleidingssubsidie.

4.7. In het licht van het voorgaande lag het op de weg van appellant aannemelijk te maken dat ten tijde in geding (niettemin) reeds door Stichting Buitenbeheer een aanvraag voor begeleidingssubsidie en de aanvullende Eurojobsubsidie ten behoeve van appellant was ingediend. De Raad moet vaststellen dat appellant daarin niet is geslaagd. Dit betekent dat ten tijde in geding van het uitblijven van een subsidiebesluit en een daarop gebaseeerde uitbetaling (nog) geen sprake was. Op die grond had het College het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 31 juli 2007 vernietigen wegens een onjuiste grondslag en de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand laten.

5. In het voorgaande ligt besloten dat voor de gevraagde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente geen plaats is.

6. De Raad ziet aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 31 juli 2008;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 151,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2009.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) R.L.G. Boot.

mm