Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2828

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2009
Datum publicatie
10-11-2009
Zaaknummer
08-455 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omvang geding: de rechtbank heeft het verzoek van appellante om te mogen terugkeren naar het publieke bestel ten onrechte in de beoordeling betrokken. Verhaalsbesluit eigen risicodrager. Het standpunt van het Uwv dat het ten aanzien van het verhaalsbesluit slechts mogelijk is om tegen de hoogte dan wel de berekening van het verschuldigde bedrag bezwaar te maken is niet juist te achten (zie LJN AZ0127, 10-10-2006). Algemene beginselen van behoorlijk bestuur kunnen pas een rol kunnen spelen in de fase van het verhaal van de uitkering op de eigen risicodrager. Hieruit volgt dat de grieven tegen het verhaalsbesluit zich niet hoeven te beperken tot de hoogte of berekening van het verschuldigde bedrag. Een verzoek van een eigen risicodrager om terug te keren naar het publieke bestel moet worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het toestemmingsbesluit voor het eigen risicodragerschap (zie LJN: BI4758, 08-05-2009). Een verzoek om terug te komen van het toestemmingsbesluit valt buiten de procedure over een verhaalsbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/455 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 7 december 2007, 07/343 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.G.B. Bergenhenegouwen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, gevestigd te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 31 juli 2009, waar partijen, zoals tevoren was bericht, niet zijn verschenen.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Aan appellant is verzocht om enkele in het dossier ontbrekende stukken in te sturen, te weten een uittreksel uit het Handelsregister en een machtiging. Appellante heeft aan dat verzoek voldaan.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven om een nieuw onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan [werknemer], een voormalig werknemer van appellante (hierna: de werknemer), is met ingang van 21 januari 2004 een uitkering toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Appellante is met ingang van 1 juli 2004 eigen risicodrager geworden voor de WAO. Bij besluit van 27 oktober 2006 (hierna: het toerekeningsbesluit) heeft het Uwv aan appellante medegedeeld dat zij als eigen risicodrager de betaling van de WAO-uitkering van de werknemer over de periode van 1 juli 2004 tot 1 januari 2007 moet overnemen. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 29 december 2006 (hierna: het verhaalsbesluit) aan appellante medegedeeld dat de aan de werknemer toegekende WAO-uitkering over de evenvermelde periode op haar wordt verhaald omdat het Uwv in die periode de uitkering aan de werknemer heeft betaald.

1.2. Appellante heeft tegen het verhaalsbesluit bezwaar gemaakt. Appellante heeft aangevoerd dat zij een verzekering voor het eigen risicodragerschap heeft afgesloten bij een particuliere verzekeringsmaatschappij. Deze verzekering dekt echter niet het risico van WAO-uitkeringen die reeds zijn toegekend vóór 1 juli 2004, het zogenoemde inlooprisico. Volgens appellante is dit een fout van de particuliere verzekering en is een ondeugdelijke garantieverklaring afgegeven. Voorts is volgens appellante de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet juist vastgesteld. De eerste ziektedag van de werknemer was 6 december 2002 en niet 22 januari 2003, zoals het Uwv meent.

1.3. Bij besluit van 23 februari 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Het Uwv heeft in het bestreden besluit overwogen dat het bezwaar aangaande de ondeugdelijke garantieverklaring niet ziet op het verhaalsbesluit maar op het besluit van 6 mei 2004, waarbij het Uwv aan appellante toestemming heeft gegeven om eigen risicodrager te worden (hierna: het toestemmingsbesluit). Appellante heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen het toestemmingsbesluit, zodat dit in rechte is komen vast te staan. Voorts heeft het Uwv overwogen dat op grond van artikel 87e van de WAO het bezwaar van een werkgever tegen de terugvordering van een onverschuldigd betaalde WAO-uitkering niet kan zijn gegrond op de grief dat de WAO-uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Hiermee heeft de wetgever bewerkstelligd dat de vraag of de WAO-uitkering terecht is toegekend en/of op het juiste bedrag is vastgesteld, slechts één keer aan de orde kan komen, namelijk in een eventuele bezwaar- en beroepsprocedure tegen het besluit waarbij de WAO-uitkering is toegekend. De vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag maakt deel uit van het WAO-toekenningsbesluit en kan daarom in het kader van het bezwaar tegen het verhaalsbesluit niet meer aan de orde komen.

2.1. Namens appellante is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Aangevoerd is dat het verhaalsbesluit voor haar dusdanige financiële gevolgen heeft dat dit zal leiden tot een faillissement. Naar de mening van appellante kan een dergelijk gevolg niet de bedoeling zijn geweest van het bestreden besluit. Voorts is appellante van mening dat het Uwv haar de mogelijkheid had moeten bieden om terug te keren in het publieke bestel. Appellante wijst erop dat het Uwv dit aanbod aan meerdere kleine werkgevers heeft gedaan die, evenals zij, niet op de hoogte waren van het inlooprisico. Tenslotte was het volgens appellante niet duidelijk dat zij bezwaar had kunnen maken tegen het toerekeningsbesluit, gezien de begeleidende brief.

2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellante tegen het toerekeningsbesluit geen rechtsmiddel heeft ingesteld en dat dit besluit daardoor formele rechtskracht heeft gekregen. De rechtbank kan derhalve bij de toetsing van het verhaalsbesluit niet toekomen aan de toetsing van de toerekening van de WAO-uitkering aan appellante. Gelet daarop staat vast dat appellante als eigen risicodrager een bedrag van € 23.070,73 aan de werknemer had moeten uitbetalen. Dit bedrag is door het Uwv uitbetaald. Hieruit volgt dat het Uwv op grond van artikel 75a, vierde lid, van de WAO, verplicht was de uitkering op appellante te verhalen. Van een situatie waarin strikte toepassing van een dwingendrechtelijke bepaling zozeer in strijd komt met algemene rechtsbeginselen, dat op die grond toepassing daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn, is hier geen sprake. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellante kennis heeft genomen van het toekenningsbesluit van 30 december 2003 en derhalve op de hoogte had kunnen dan wel moeten zijn van de mogelijkheid dat aan een (ex-) werknemer WAO-uitkering werd betaald. Voor zover appellante stelt dat de inhoud van het toerekeningsbesluit voor haar onduidelijk was, had het op haar weg gelegen om daarover nadere informatie in te winnen bij het Uwv. Met betrekking tot de stelling van appellante dat het Uwv haar de mogelijkheid had moeten bieden om terug te keren naar het publieke bestel heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv onweersproken heeft betoogd dat appellante niet aan de criteria voldoet om hiervoor in aanmerking te komen.

3. De Raad oordeelt als volgt.

3.1. In het bestreden besluit heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat het ten aanzien van het verhaalsbesluit slechts mogelijk is om tegen de hoogte dan wel de berekening van het verschuldigde bedrag bezwaar te maken. Zoals de Raad vaker heeft overwogen, onder andere in zijn uitspraak van 10 oktober 2006, LJN: AZ0127, is dit standpunt van het Uwv niet juist te achten. In die uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur pas een rol kunnen spelen in de fase van het verhaal van de uitkering op de eigen risicodrager. Hieruit volgt dat de grieven tegen het verhaalsbesluit zich niet hoeven te beperken tot de hoogte of berekening van het verschuldigde bedrag. De Raad kan uit de aangevallen uitspraak niet opmaken of de rechtbank het standpunt van het Uwv onderschrijft, maar in elk geval heeft de rechtbank wel overwogen dat van een situatie waarin strikte toepassing van een dwingendrechtelijke bepaling zozeer in strijd komt met algemene rechtsbeginselen, dat op die grond toepassing daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn, geen sprake is. De Raad onderschrijft die laatstgenoemde overweging van de rechtbank.

Overigens is de Raad van oordeel dat de grief dat het appellante niet duidelijk kon zijn dat zij bezwaar had kunnen indienen tegen het toerekeningsbesluit geen doel kan treffen. In de begeleidende brief bij het toerekeningsbesluit is de bezwaarmogelijkheid – niet tegen die brief, maar tegen het toerekeningsbesluit – uitdrukkelijk vermeld en in het toerekeningsbesluit zelf is een bezwaarclausule opgenomen.

3.2. In hoger beroep is voorts aangevoerd dat het door het Uwv genoemde bedrag nog veel hoger zal worden. Omdat appellante voor vijf jaar het risico van de betaling dient te dragen zal nog een nader bedrag worden verhaald over de periode vanaf 1 januari 2007. Dit betekent volgens appellante een enorme aanslag op haar financiële positie. De Raad wijst erop dat het hier gaat om dwingendrechtelijke bepalingen en dat de financiële gevolgen van de keuze om eigen risicodrager te worden geen grond zijn om van die dwingendrechtelijke bepalingen af te wijken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellante wist dat er een WAO-uitkering was toegekend aan de werknemer. In een brief van 6 mei 2004 heeft haar particuliere verzekeraar haar zelfs nog uitdrukkelijk gewaarschuwd voor het inlooprisico. Bovendien geldt voor de werkgever die eigen risicodrager wil worden een onderzoeksplicht. De Raad verwijst hiervoor naar zijn onder 3.1 genoemde uitspraak van 10 oktober 2006.

3.3. Zoals de Raad al vaker heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 8 mei 2009, LJN: BI4758, moet een verzoek van een eigen risicodrager om terug te keren naar het publieke bestel worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het toestemmingsbesluit voor het eigen risicodragerschap. Een verzoek om terug te komen van het toestemmingsbesluit valt buiten de procedure over een verhaalsbesluit. De Raad heeft daarbij overwogen dat het in de rede ligt dat het Uwv, voor zover dit niet reeds gebeurd is, alsnog een besluit neemt op het verzoek om terug te komen van het toestemmingsbesluit. Tegen dat besluit kan desgewenst bezwaar worden gemaakt en zonodig kunnen verdere rechtsmiddelen worden aangewend.

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het verzoek van appellante om te mogen terugkeren naar het publieke bestel ten onrechte in de beoordeling heeft betrokken.

3.4. Uit hetgeen onder 3.1 t/m 3.3 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van A. Westerink-Hendriks als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A. Westerink-Hendriks.

TM