Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2824

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
10-11-2009
Zaaknummer
07-4805 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. De Raad stelt voorop dat het hoger beroep zich richt op het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit door de rechtbank. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad geen reden om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv. De Raad ziet, anders dan appellante, geen reden om tot het oordeel te komen dat de bevindingen van Van der Gaag met betrekking tot appellantes klachten van de nek, rug, hart en longen niet op zorgvuldig medisch onderzoek zijn gebaseerd. Voor een nader onderzoek door een deskundige op neuropsychologisch gebied, als namens appellante is bepleit, ziet de Raad in deze situatie geen aanleiding. Voorts is de Raad van oordeel dat, mede gelet op de in de beroepsfase door de bezwaararbeidsdeskundigen B.A.D. Kleijne en Janssen uitgebrachte aanvullende rapporten, de aan appellante voorgehouden functies van portier/toezichthouder, parkeercontroleur en verkoper technische detailhandel in medisch opzicht voor haar geschikt zijn te achten. Met appellantes functionele beperkingen wordt in deze functies voldoende rekening gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4805 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 28 juni 2007, 06/3158 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.J. Barelts te Oudorp hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, nadien aangevuld met een rapport van de (senior) bezwaararbeidsdeskundige H. Janssen.

Namens appellante heeft mr. Barelts nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2009. Namens appellante zijn verschenen mr. Barelts voornoemd en H.J. Damhoff. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.F.J.A. Jennekens.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Het Uwv heeft desgevraagd de Raad nadere informatie doen toekomen. Hierop is een reactie van mr. Barelts ontvangen.

Gelet op de van partijen daartoe verkregen toestemming, heeft de Raad bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. De Raad heeft het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft vanaf december 1998 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij besluit van 16 december 2005 heeft het Uwv deze uitkering met ingang van 12 januari 2006 ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% werd geacht.

1.2. Het bezwaar van appellante tegen dat besluit is ongegrond verklaard bij besluit van 14 september 2006 (het bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en tevens bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en betaling van griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat het Uwv bij dit besluit de juiste functionele beperkingen in acht heeft genomen. De arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank eveneens onderschreven. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank daartoe echter pas in de fase van het beroep een voldoende motivering gegeven.

3. In hoger beroep heeft appellante herhaald van mening te zijn dat het medisch onderzoek van het Uwv niet voldoende zorgvuldig is geweest. Zij meent dat onvoldoende beperkingen zijn aanvaard voor met name reiken, buigen, zitten, staan en voor sociaal functioneren, zoals concentreren. Daarnaast meent zij dat zij niet in staat is de door het Uwv geduide functies uit te oefenen en stelt zij geen inzicht te hebben verkregen in de wijze waarop de bijbehorende loonwaarde is vastgesteld.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad stelt voorop dat het hoger beroep zich richt op het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit door de rechtbank. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad geen reden om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv. De verzekeringsarts A. van der Gaag heeft zijn bevindingen gebaseerd op eigen onderzoek van appellante. De bezwaarverzekeringsarts A.A.M. Moons noemt dit in haar rapport van 4 juli 2006 en voorts is duidelijk dat Van der Gaag appellante op zijn spreekuur op 3 oktober 2005 heeft ontvangen en gesproken. Zijn bevindingen heeft hij (in ieder geval) gebaseerd op zijn op die dag afgenomen anamnese en op het eerder door hem ten aanzien van appellante op 9 maart 2004 verrichte medische onderzoek, alsook op dossierstudie. De Raad ziet, anders dan appellante, geen reden om tot het oordeel te komen dat de bevindingen van Van der Gaag met betrekking tot appellantes klachten van de nek, rug, hart en longen niet op zorgvuldig medisch onderzoek zijn gebaseerd.

4.2. De Raad is voorts van oordeel dat appellantes beperkingen voor het verrichten van arbeid door Van der Gaag correct zijn vastgesteld. Deze houden onder meer in dat appellante geen werk met veelvuldige deadlines of productiepieken en/of werk met een hoog handelingstempo kan verrichten. Voorts is zij beperkt geacht voor diverse dynamische handelingen zoals reiken, buigen en tillen en voor statische houdingen, zoals zitten, staan, boven schouderhoogte actief zijn en het hoofd in een bepaalde stand houden tijdens het werk. Door appellante zijn geen medische stukken in het geding gebracht waaruit volgt dat met betrekking tot de datum van 12 januari 2006 verdergaande beperkingen aanvaard hadden moeten worden. De namens haar toegezonden brief van 23 februari 2009 van de chiropractor R. Blaauw, door wie zij in januari 2009 is onderzocht, bevat geen aanknopingspunten om aan te nemen dat zij op 12 januari 2006 meer of anders beperkt was dan door Van der Gaag, en zoals nadien is bevestigd door Moons, is vastgesteld.

4.3. Voor een nader onderzoek door een deskundige op neuropsychologisch gebied, als namens appellante is bepleit, ziet de Raad in deze situatie geen aanleiding.

4.4. Voorts is de Raad van oordeel dat, mede gelet op de in de beroepsfase door de bezwaararbeidsdeskundigen B.A.D. Kleijne en Janssen uitgebrachte aanvullende rapporten, de aan appellante voorgehouden functies van portier/toezichthouder, parkeercontroleur en verkoper technische detailhandel in medisch opzicht voor haar geschikt zijn te achten. Met appellantes functionele beperkingen wordt in deze functies voldoende rekening gehouden.

4.5. Naar aanleiding van hetgeen namens appellante is aangevoerd over het ontbreken van inzicht in de juistheid van de gehanteerde loonwaarde van de onder 4.4 genoemde functies overweegt de Raad dat het Uwv in beginsel kan uitgaan van de daartoe in het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem opgenomen gegevens. Dit betekent dat het Uwv niet bij elke arbeidsongeschiktheidsbeoordeling hoeft toe te lichten waarom de gehanteerde gegevens juist zijn. Hetgeen in dit geval namens appellante naar voren is gebracht is naar het oordeel van de Raad te weinig geconcretiseerd om op deze regel een uitzondering te aanvaarden. De Raad merkt op dat het Uwv, vanwege de bij appellante gerezen twijfel, in de fase van het hoger beroep genoegzaam heeft toegelicht hoe de vaststelling van de loonwaarde van de functies heeft plaatsgevonden.

4.6. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.R.A. van Raaij.

GdJ