Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2798

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2009
Datum publicatie
10-11-2009
Zaaknummer
08-4276 WAO
Formele relaties
Einduitspraak na bestuurlijke lus: ECLI:NL:CRVB:2010:BO9346
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Voldoende zorgvuldig medische onderzoek. Voorts is de Raad van oordeel dat uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt en dat in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 11 oktober 2007 de bij de functiebelastingen geplaatste signaleringen toereikend zijn gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4276 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 juni 2008, 07/4290 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en het rapport van de bezwaarverzekeringsarts P. van de Merwe van 5 december 2008 overgelegd.

De gemachtigde van appellant heeft op het verweerschrift gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2009.

Namens appellant is zijn gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als classificeerder. Op 23 januari 2001 is hij uitgevallen voor dit werk in verband met spierklachten. Met ingang van 22 januari 2002 is appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Deze uitkering werd uiteindelijk bij een nader, hangende een hoger beroepsprocedure genomen, besluit op bezwaar van 18 maart 2005, waartegen het beroep door de Raad op 13 juli 2005 (LJN AT9828) ongegrond is verkaard, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. In verband met een eenmalige herbeoordeling op grond van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Op grond van de bevindingen van dat onderzoek heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen geschikt is te achten voor het verrichten van geduide functies zonder in het kader van de WAO relevant verlies aan verdiencapaciteit.

1.2. Bij besluit van 30 mei 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 31 juli 2007 ingetrokken. Het tegen dat besluit door appellant gemaakt bezwaar is bij besluit van 12 oktober 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.2. Wat de medische grondslag van het bestreden besluit betreft heeft de rechtbank als volgt overwogen, waar voor eiser en verweerder wordt gelezen appellant en het Uwv:

"De verzekeringsarts heeft haar onderzoek gebaseerd op de anamnese, een eigen onderzoek en een dossieronderzoek. De bezwaarverzekeringsarts heeft zijn onderzoek gebaseerd op een dossieronderzoek en de informatie verkregen tijdens de bezwaarfase. De bezwaarverzekeringsarts was aanwezig bij de hoorzitting. Het dossieronderzoek dat zowel door de verzekeringsarts als door de bezwaarverzekeringsarts is verricht, omvat het raadplegen van de eerder uitgebrachte medische rapportages in het kader van een claim van eiser op grond van de Ziektewet of de WAO. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de conclusie dat deze bestudering van het bij verweerder betreffende eiser aanwezige medische dossier onzorgvuldig, onvolledig dan wel anderszins onjuist is.

Met betrekking tot de grief van eiser dat het medische onderzoek onvoldoende zorgvuldig en objectief is, overweegt de rechtbank verder het volgende. De verzekeringsarts heeft op basis van eigen bevindingen geconcludeerd dat er bij lichamelijk onderzoek geen afwijkende bevindingen zijn geconstateerd, dat de psyche niet afwijkend is en dat de gezondheidsklachten van eiser bij lichamelijk onderzoek niet zijn te objectiveren. Het gegeven dat er discrepanties zouden bestaan tussen de verzekeringsgeneeskundige bevindingen en hetgeen eiser zelf over zijn klachten naar voren heeft gebracht, brengt niet met zich mee dat verweerder eisers beperkingen op een onjuiste danwel onzorgvuldige wijze heeft vastgesteld. In eisers grieven ziet de rechtbank geen aanknopingspunt voor de conclusie dat het door verweerder verrichte medische onderzoek zelf discrepanties vertoont. De rechtbank deelt niet het standpunt van eiser ten aanzien van de bewijslast nu eisers klachten onvoldoende zijn te objectiveren. De bezwaarverzekeringsarts heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom er geen uitgebreidere dan wel meer beperkingen in de FML zijn opgenomen. Met de niet te objectiveren pijnklachten van eiser is voldoende rekening gehouden door eiser beperkt te achten voor zware lichamelijke arbeid. Eiser heeft geen medische gegevens overgelegd die verdergaande of andere beperkingen rechtvaardigen. De rechtbank komt tot het oordeel dat het medische onderzoek zorgvuldig is. Al hetgeen eiser overigens in dit verband heeft aangevoerd, leidt niet tot een andere conclusie. Voor het inschakelen van een (medisch) deskundige door de rechtbank ziet de rechtbank geen aanleiding."

3. Appellant heeft in hoger beroep uitgebreid de gronden en argumenten tegen de aangevallen uitspraak uiteengezet. Het komt er in essentie op neer dat het medisch onderzoek onvolledig en onzorgvuldig is geweest en dat hij meer en zwaarder beperkt is dan door het Uwv is aangenomen.

4.1. De Raad kan zich verenigen met hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen over de medische grondslag van het bestreden besluit en maakt de in de aangevallen uitspraak vermelde en in overweging 2.2 geciteerde overwegingen tot de zijne. Wat appellant ter onderbouwing van zijn hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit en heeft, zoals uit het voorgaande volgt, de rechtbank terecht niet tot het oordeel geleid dat de medische grondslag van het bestreden besluit ondeugdelijk is. De Raad voegt daaraan nog toe dat naar zijn oordeel de verzekeringsarts – anders dan appellant heeft aangevoerd – bij zijn onderzoek en de vaststelling van beperkingen wel degelijk heeft gehandeld overeenkomstig de zogenoemde MAOC-richtlijn. Ondanks het ontbreken bij het medisch onderzoek van de verzekeringsarts op 20 april 2007 van geobjectiveerde afwijkingen of functiebeperkingen heeft deze arts immers, mede gezien de medische voorgeschiedenis van appellant, in de FML beperkingen gesteld aan zeer zware lichamelijke arbeid. Deze vaststelling is in de bezwaarprocedure door de bezwaarverzekeringsarts gevolgd. Ook in hoger beroep heeft appellant geen medische gegevens afkomstig uit de (reguliere) behandelend sector ingebracht ter ondersteuning van zijn standpunt dat hij meer beperkt is dan het Uwv in navolging van de (bezwaar)verzekeringsarts heeft aangenomen. De Raad ontgaat voorts de betekenis van hetgeen namens appellant is opgemerkt over het medicijngebruik en de daarbij behorende bijwerkingen voor de vaststelling van beperkingen op de in geding zijnde datum 31 juli 2007, nu appellant blijkens het rapport van de verzekeringsarts van 20 april 2007 sinds twee maanden, derhalve in de loop van februari 2007 gestopt was met medicijngebruik. Voorts hadden, anders dan de vermelding in het rapport van 2 september 2008 van mevr. Verhage, directrice van het Instituut Psychosofia, die de gemachtigde van appellant behulpzaam is bij het formuleren van medische beroepsgronden, zou kunnen doen vermoeden, de klachten van appellant volgens de anamnese in evengenoemd rapport van de verzekeringsarts niet mede betrekking op huid- of KNO-problemen. In dit laatste rapport komt immers naar voren dat appellant alleen wisselende spierpijnen, met name aan de armen en benen heeft. Ten slotte blijkt uit het meergenoemde rapport van de verzekeringsarts dat bij het “Onderzoek psyche” geen aanwijzingen zijn gevonden voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek en zag de klachtenpresentatie volgens de anamnese ook niet (mede) op psychische klachten. Het feit dat appellant in het verleden wel psychische klachten heeft gehad en geuit maakt deze onderzoeksbevinding van de verzekeringsarts wat betreft de datum in geding niet anders.

4.2. Voorts is de Raad van oordeel dat uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt en dat in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 11 oktober 2007 de bij de functiebelastingen geplaatste signaleringen toereikend zijn gemotiveerd.

4.3. Uit de overwegingen 4.1. en 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

JL