Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2786

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2009
Datum publicatie
10-11-2009
Zaaknummer
08-1424 WWB + 08-5902 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Niet kan worden vastgesteld wat de omvang van de werkzaamheden van appellant en de hoogte van zijn inkomen zijn en of appellant al dan niet als zelfstandige in de zin van het Bbz diende te worden aangemerkt. Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan deze intrekkingsgrond nog tot in hoger beroep worden bestreden door het alsnog overleggen van de voor de beoordeling van het recht op bijstand noodzakelijke gegevens. Appellant heeft in beroep en in hoger beroep jaarstukken, belastingaangiften en belastingaanslagen over 2004 en 2005 overgelegd en zijn activiteiten als ondernemer nader toegelicht. De Raad ziet onvoldoende grondslag voor het standpunt van het College dat appellant al in de periode van 25 oktober 2004 tot 1 april 2005 daadwerkelijk als zelfstandige werkzaam is geweest. Voor de periode vanaf 1 april 2005 komt de Raad tot een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010, 2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1424 WWB

08/5902 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 januari 2008, 06/3778 en 07/2378 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 3 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C.R. de Lyon, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Lyon. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris, werkzaam bij de gemeente

Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1 Appellant exploiteerde een bedrijf onder de naam [bedrijfsnaam]. Dat bedrijf is met ingang van 1 maart 2004 opgeheven. Het bedrijf is uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel (KvK). Het College heeft een aanvraag van appellant om een uitkering ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (hierna: Bbz) afgewezen.

Aan appellant is met ingang van 10 februari 2004 algemene bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend.

1.2. Op 11 juni 2004 heeft een medewerker van de Sociale Dienst Amsterdam (SDA) met appellant gesproken over de inschakeling van appellant in betaalde arbeid. Deze medewerker heeft gerapporteerd dat zelfstandigheid wellicht de enige manier is om uit de bijstand te geraken. Op 7 oktober 2004 is een trajectplan opgesteld. Daarin is onder meer opgenomen dat doel van het traject is dat appellant toewerkt naar zelfstandig ondernemerschap en dat hij daarvoor de ruimte krijgt tot 1 maart 2005.

1.3. Bij besluit van 11 oktober 2004 is aan appellant mededeling gedaan omtrent zijn arbeidsverplichtingen, waaronder de verplichting om al het mogelijke te doen om betaald werk te vinden en te aanvaarden, en om geen dingen te doen die hem belemmeren bij het vinden of behouden van een baan.

1.4. In de maand oktober van 2005 heeft de SDA onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn inlichtingen ingewonnen bij de Dienst voor het Wegverkeer en hebben twee medewerkers van de SDA op 4 oktober 2005 een bezoek gebracht op het woonadres van appellant, bij welke gelegenheid appellant een verklaring heeft afgelegd. Appellant heeft onder meer verklaard (samengevat) dat hij bezig is een bedrijf met de naam [bedrijfsnaam] en Werken op te starten, dat het bedrijf nog steeds is ingeschreven bij de KvK, dat hij gedurende de ontvangst van bijstand twee opdrachten heeft gedaan die hij nog moet melden aan de SDA. Op 12 oktober 2005 heeft een nader gesprek met appellant plaatsgehad, bij welke gelegenheid hij onder meer heeft verklaard dat hij na 2 juni 2004 is begonnen met activiteiten voor zijn bedrijf, dat hij op 11 oktober 2005 nog een offerte voor een klant heeft gemaakt, dat hij weet dat hij in 2004 bij de belastingdienst gebruik maakte de zelfstandigenaftrek en dat hem door het CWI en de SDA is verteld dat hij als bijstandsgerechtigde geen onderneming mag hebben.

1.5. Op grond van de bevindingen van het bij 1.4 vermelde onderzoek heeft het College bij besluit van 16 november 2005 de bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2004 (lees: 10 februari 2004) ingetrokken. Bij besluit van 8 juni 2006 heeft het College de bezwaren tegen het besluit van 16 november 2005 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld wat de omvang van de werkzaamheden van appellant en de hoogte van zijn inkomen zijn en of appellant al dan niet als zelfstandige in de zin van het Bbz diende te worden aangemerkt, als gevolg waarvan ook niet kan worden vastgesteld in welke mate appellant voor bijstand in aanmerking kwam.

1.6. Bij besluit van 29 januari 2007 heeft het College geconstateerd dat appellant over de periode van 25 oktober 2004 tot en met 1 oktober 2005 geen recht had op bijstand.

De over die periode gemaakte kosten van bijstand zijn van hem teruggevorderd tot een bedrag van € 12.343.82,--. Bij besluit van 15 mei 2007 heeft het College het tegen het besluit van 29 januari 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit op bezwaar van 24 juni 2008 heeft het College het verzoek van appellant om herziening van het besluit van 15 mei 2007 afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het besluit van 8 juni 2006 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover het ziet op de periode van 10 februari 2004 tot 2 juni 2004 en het besluit van 16 november 2005 in zoverre herroepen. Het beroep tegen het besluit van 15 mei 2007 is ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad heeft partijen ter zitting meegedeeld dat besloten is het besluit van 24 juni 2008 niet bij de beoordeling van het hoger beroep te betrekken.

4.2. De intrekking

4.2.1. Voor zover het College met het besluit van 29 januari 2007 tevens heeft beoogd een (nader) besluit te nemen tot intrekking van de bijstand over de periode van 25 oktober 2004 tot en met 1 oktober 2005 merkt de Raad op dat het besluit in zoverre geen andere rechtsgevolgen in het leven riep dan reeds in het leven waren geroepen met het besluit van 16 november 2005. Bij laatstgenoemd besluit heeft het College de bijstand immers al met ingang van 10 februari 2004 ingetrokken, en volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de door de bestuursrechter te beoordelen periode van intrekking in dit geval de periode van 10 februari 2004 tot en met 16 november 2005.

4.2.2. De rechtbank heeft het besluit van 16 november 2005 herroepen voor zover het ziet op de intrekking over de periode van 10 februari 2004 tot 2 juni 2004. Ter zitting van de Raad is voorts gebleken dat de Raad zich wat betreft de intrekking kan beperken tot het geven van een oordeel over de periode vanaf 25 oktober 2004.

4.2.3. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

Hij heeft niet aan het College gemeld dat hij zijn nieuwe bedrijf op 25 oktober 2004 heeft ingeschreven bij de KvK en evenmin heeft hij nadien uit eigen beweging melding gemaakt van zijn concrete activiteiten als ondernemer. Het gaat hier om gegevens waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat deze van invloed konden zijn op (voortzetting van) zijn recht op bijstand.

4.2.4. Schending van de inlichtingenverplichting levert een grond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van die schending het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Die situatie doet zich hier volgens het College voor. Appellant stelt zich op het standpunt dat aan de hand van de door hem verstrekte gegevens het recht op bijstand wel kan worden vastgesteld.

4.2.5. De Raad is van oordeel dat het College, uitgaande van de ten tijde van het besluit van 8 juni 2006 voorhanden zijnde gegevens, zich ten tijde van het nemen van het besluit van 8 juni 2006 terecht op het standpunt heeft gesteld dat het recht van appellant op bijstand over de thans nog in geding zijnde periode toen niet kon worden vastgesteld. Daarbij neemt de Raad in aanmerking hetgeen appellant op 4 en 12 oktober 2005 heeft verklaard en het niet voorhanden zijn van voldoende verifieerbare gegevens over zijn status als zelfstandige, de omvang van zijn werkzaamheden in de hoedanigheid van zelfstandig ondernemer en de in aanmerking te nemen inkomsten. Dat appellant in het kader van de behandeling van zijn bezwaar tegen het terugvorderingbesluit van 29 januari 2007 aangiften voor de inkomstenbelasting heeft overgelegd brengt de Raad niet tot een ander oordeel met betrekking tot de intrekking van de bijstand.

4.2.6. Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan deze intrekkingsgrond nog tot in hoger beroep worden bestreden door het alsnog overleggen van de voor de beoordeling van het recht op bijstand noodzakelijke gegevens. Appellant heeft in beroep en in hoger beroep jaarstukken, belastingaangiften en belastingaanslagen over 2004 en 2005 overgelegd en zijn activiteiten als ondernemer nader toegelicht.

4.2.7. De Raad ziet onvoldoende grondslag voor het standpunt van het College dat appellant al in de periode van 25 oktober 2004 tot 1 april 2005 daadwerkelijk als zelfstandige werkzaam is geweest. Daarbij komt in de eerste plaats betekenis toe aan het ten behoeve van appellant opgestelde en namens het College mede ondertekende trajectplan, waarin is bepaald dat appellant zich tot 1 maart 2005 op zelfstandige beroepsuitoefening mag oriënteren. In de gedingstukken ziet de Raad voorts geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant in relevante mate - anders dan in oriënterende zin - als ondernemer werkzaam is geweest en daaruit inkomsten heeft ontvangen. In dit verband neemt de Raad ten slotte in aanmerking dat uit de in beroep overgelegde aanslag inkomstenbelasting en de daarbij behorende aangifte blijkt dat appellant, anders dan hij op 12 oktober 2005 heeft verklaard, over 2004 geen gebruik heeft gemaakt van de zelfstandigenaftrek voor de inkomstenbelasting.

4.2.8. Voor de periode vanaf 1 april 2005 komt de Raad tot een ander oordeel. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant in de maand april 2005 een offerte heeft uitgebracht voor te verrichten werkzaamheden en dat hij in mei 2005 daadwerkelijk is gestart met uitvoerende werkzaamheden voor de betrokken klant. Bij de stukken bevinden zich voorts afschriften van in april, juni en juli 2005 aan die klant gezonden facturen voor (deel)betalingen voor de verrichte werkzaamheden tot een totaalbedrag van € 15.975,-- (excl. BTW). Verder is in het onderzoek van de SDA de ontvangst in augustus 2005 per bank van een bedrag voor verrichte werkzaamheden aan het licht gekomen. Ten slotte is van belang dat appellant op 12 oktober 2005 heeft verklaard de dag ervoor nog een offerte aan een klant heeft gemaakt. Uit deze gegevens moet worden afgeleid dat, tevens rekening houdend met enige voorbereidende werkzaamheden, appellant vanaf 1 april 2005 in substantiële zin en doorlopend als zelfstandige werkzaam is geweest. Appellant heeft tegengesproken dat hij in die periode dient te worden aangemerkt als zelfstandige in de zin van de WWB en het Bbz omdat zijns inziens niet werd voldaan aan het hiervoor geldende urencriterium. Naar zijn mening kan het College hem dan beschouwen als zelfstandige die op bescheiden schaal werkt en de inkomsten korten op de bijstand.

Naar het oordeel van de Raad kan dit standpunt, wat daarvan verder ook zij, niet leiden tot het oordeel dat het (aanvullende) recht op bijstand over de periode vanaf 1 april 2005 alsnog precies kan worden vastgesteld. Appellant heeft het College ten tijde hier van belang niet de mogelijkheid geboden om zich een oordeel te vormen over zijn status als zelfstandige, over het aantal uren waarop hij in die periode feitelijk zelfstandige arbeid heeft verricht en over de aan de desbetreffende maanden toe te rekenen inkomsten.

De thans beschikbare gegevens geven daarover onvoldoende uitsluitsel. Tegen de achtergrond van het voorgaande acht de Raad voor de beoordeling van het (aanvullende) recht op bijstand over de periode vanaf 1 april 2005 onvoldoende dat thans wel wordt beschikt over de aangifte en de aanslag inkomstenbelasting 2005. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat niet kan worden vastgesteld of, en zo ja hoeverre, in de periode vanaf 1 april 2005 verkeerde in bijstandsbehoevende omstandigheden.

4.2.9. Uit de onderdelen 4.2.1 tot en met 4.2.8 volgt dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB slechts bevoegd was tot intrekking van de bijstand van appellant over de periode vanaf 1 april 2005. Het besluit van 8 juni 2006 komt derhalve wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking voor zover het ziet op de periode van 25 oktober 2004 tot 1 april 2005. Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zal de Raad voorts het besluit van 16 november 2005 in zoverre herroepen. Met betrekking tot de periode vanaf 1 april 2005 overweegt de Raad dat hij in hetgeen door appellant is aangevoerd geen grond ziet voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking van de bijstand met ingang van 1 april 2005 gebruik heeft kunnen maken.

4.3. De terugvordering.

4.3.1. Uit het voorgaande volgt dat de terugvordering over de periode van 25 oktober 2004 tot 1 april 2005 geen stand kan houden. De Raad acht het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB wel bevoegd tot terugvordering over de periode van 1 april 2005 tot en met 1 oktober 2005 en ziet vooralsnog geen reden op grond waarvan het College niet overeenkomstig zijn beleid met betrekking tot terugvordering zou mogen besluiten tot volledige terugvordering van de over die periode gemaakte kosten van bijstand.

4.3.2. Nu een besluit tot terugvordering evenwel ondeelbaar is, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 15 mei 2007 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het College zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant tegen het terugvorderingsbesluit van 29 januari 2007 met inachtneming van deze uitspraak.

5. De proceskosten

5.1. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep. Deze worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

5.2. De Raad ziet, hoewel het primaire intrekkingsbesluit deels wordt herroepen, geen grond voor een veroordeling van het College tot vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte kosten nu, zoals uit onderdeel 4.2.5 blijkt, het College op basis van de in die fase voorhanden zijnde gegevens terecht heeft geoordeeld dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Vernietigt het besluit van 8 juni 2006 voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 25 oktober 2004 tot 1 april 2005 en herroept het besluit van 16 november 2005 in zoverre;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 15 mei 2007 gegrond en vernietigt dat besluit;

Draagt het College op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit van 29 januari 2007;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en C. van Viegen en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

3 november 2009.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

RB