Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2664

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2009
Datum publicatie
09-11-2009
Zaaknummer
08-7158 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Zelfde ziekteoorzaak. Voldoende medische grondslag. Geen aanknopingspunten om de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts Cramer, zoals uiteengezet in diens rapportage van 3 juli 2007 en nader toegelicht in de rapportage van 11 september 2008, onjuist te achten. Appellant heeft ook in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die doen twijfelen aan de juistheid van die conclusies per de datum in geding. Naar het oordeel van de Raad is de rechtbank, gezien de afwezigheid van een toename van de medische beperkingen als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de WAO terecht ook niet toegekomen aan een beoordeling van de arbeidskundige aspecten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/7158 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 november 2008, 07/2248

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. de Bie, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2009. Namens appellant is verschenen mr. De Bie. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.H.A.H. Smithuysen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft in 1989 zijn werk als productiemedewerker gestaakt ten gevolge van een maagbloeding en slokdarmklachten. Met ingang van 2 oktober 1990 is hem een uitkering ingevolge onder andere de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 13 mei 2002 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 juni 2002 ingetrokken, omdat hij op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek minder dan 15% arbeidsongeschiktheid werd geacht. De juistheid van dit besluit is in hoger beroep door de uitspraak van de Raad van 28 maart 2007, (LJN BA1976), bevestigd.

1.2. Bij brief van 15 mei 2006 is namens appellant verzocht om toekenning van een WAO-uitkering vanwege sedert 1 oktober 2005 toegenomen klachten uit dezelfde oorzaak op grond waarvan hem eerder een WAO-uitkering was toegekend. Bij besluit van 22 februari 2007 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in aansluiting op het verstrijken van de wachttijd van 4 weken op 28 oktober 2005 minder dan 15% was. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv in navolging van het standpunt in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer van 3 juli 2007, dat er met betrekking tot appellant geen sprake is van toegenomen beperkingen, bij besluit van 5 juli 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1. Met betrekking tot de medische beoordeling van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te hebben gezien om aan te nemen dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts Cramer, die na de hoorzitting nog zelf lichamelijk en psychisch onderzoek verrichtte, onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Daarnaast zijn er naar het oordeel van de rechtbank geen redenen te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts. Appellant heeft in beroep geen medische gegevens overgelegd die tot een ander oordeel leiden. De bezwaarverzekeringsarts Cramer heeft in zijn rapportage van 3 juli 2007 gemotiveerd weergegeven dat de medische situatie van appellant op 1 oktober 2005 ten opzichte van 1 juni 2002, de datum van intrekking van de WAO-uitkering van appellant, niet is veranderd en dat er daarom geen reden was een nieuw belastbaarheidsprofiel op te stellen.

2.2. Nu het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag is gebaseerd volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de vaste rechtspraak van de Raad met betrekking tot de toepassing van artikel 43a, eerste lid, van de WAO (onder meer de uitspraak van 8 juni 2007, LJN BA7344) dat bij gebreke van een toename van arbeidsbeperkingen een arbeidskundige beoordeling achterwege kan blijven. De door appellant in beroep aangevoerde gronden ten aanzien van de arbeidskundige aspecten kunnen derhalve onbesproken blijven.

3. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat in vergelijking tot de beoordeling per

1 juni 2002 hij zwaarder beperkt is te achten dan door het Uwv is aangenomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit kan de Raad zich geheel verenigen met hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen. Ook de Raad ziet geen aanknopingspunten om de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts Cramer, zoals uiteengezet in diens rapportage van 3 juli 2007 en nader toegelicht in de rapportage van 11 september 2008, onjuist te achten. Appellant heeft ook in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die doen twijfelen aan de juistheid van die conclusies per de datum in geding.

4.2. Gelet op overweging 4.1 behoeven de gronden van appellant, welke volgens het Uwv zien op systeemtechnische verschillen tussen een belastbaarheidsprofiel per 1 juni 2002 volgens het FIS-systeem en zo’n profiel volgens het CBBS geen bespreking.

4.3. Naar het oordeel van de Raad is de rechtbank, gezien de afwezigheid van een toename van de medische beperkingen als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de WAO terecht ook niet toegekomen aan een beoordeling van de arbeidskundige aspecten.

4.4. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1, 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM