Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2663

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2009
Datum publicatie
09-11-2009
Zaaknummer
08-7007 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De Raad stelt vast dat appellante ook in hoger beroep geen medische gegevens heeft ingebracht die aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies waartoe beide verzekeringsartsen zijn gekomen. Ook heeft appellante niet kunnen concretiseren welke actuele medische informatie - vanuit de behandelend sector of anderszins - door de verzekeringsartsen zou zijn gemist. Voorts is, gelet ook op de door de arbeidskundige verstrekte uitleg, ook voor de Raad genoegzaam komen vast te staan dat de belasting van de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd binnen de aangegeven belastbaarheid valt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7007 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 november 2008, 07/4454 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.M. van der Zouwen, advocaat te Oosterhout, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2009. Voor appellante is verschenen mr. Van der Zouwen, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door drs. P.M. Klootwijk.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is in 1997 wegens psychische klachten uitgevallen voor haar in deeltijd verrichte werkzaamheden als logopediste. Vanaf 11 januari 1998 is zij in verband hiermee in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 8 mei 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 28 juni 2007 herzien naar een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het tegen dat besluit door appellante gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 7 september 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft zich met zowel de medische als arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen. Het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellante staande gehouden dat haar beperkingen zijn onderschat. Zij stelt dat die beperkingen ongewijzigd zijn gebleven, maar - dankzij langdurige therapie - wel beter beheersbaar zijn geworden. Het ingestelde medisch onderzoek is volgens appellante ontoereikend geweest, in welk verband zij doet stellen dat actuele medische informatie met betrekking tot de periode rond de datum in geding ontbreekt. Appellante wijst er met klem op wel degelijk bereid te zijn tot deelname aan het arbeidsproces, maar dan geleidelijk en met professionele begeleiding. Voor zover appellante ten tijde hier van belang al arbeid kon verrichten, dan was in elk geval een urenbeperking aan de orde.

3.2. Wat betreft de bij de schatting betrokken - eenvoudige productiematige - functies, wijst appellante op het in haar optiek, in vergelijking met haar opleidingsniveau, te lage niveau daarvan, hetgeen - zo begrijpt de Raad - een nadelige impact heeft op het psychisch welbevinden van appellante, in die zin dat dit haar in aanmerkelijke mate angstig maakt en stress veroorzaakt. Ten onrechte is door het Uwv met dit aspect geen rekening gehouden.

3.3. Ten slotte heeft appellante doen aanvoeren dat de geduide functies voor haar, ook in het licht van haar lichamelijke klachten, ten onrechte door de rechtbank als passend zijn aanvaard.

4.1. De Raad ziet deze beroepsgronden in navolging van de rechtbank niet slagen. Wat betreft de psychische klachten van appellante komt uit de rapportage algemeen van 22 augustus 2006 naar voren dat appellante inmiddels niet langer onder behandeling van de GGZ is, maar enkel nog eens per drie maanden de huisarts bezoekt. Appellante heeft, blijkens hetgeen staat vermeld onder het kopje anamnese, tijdens het spreekuurcontact ook zelf aangegeven dat haar klachten verminderd zijn, althans in die zin dat ze er beter - dan voorheen - mee om kan gaan.

4.2. De bezwaarverzekeringsarts, die appellante ook zelf tijdens de hoorzitting heeft gesproken, bevestigt dit beeld. Zij kan zich verenigen met de belastbaarheid zoals deze is vastgesteld bij de primaire medische beoordeling. Zulks geldt ook voor de lichamelijke klachten van appellante, in welk verband de bezwaarverzekeringsarts aangeeft dat door de primaire verzekeringsarts rekening is gehouden met een verminderde belastbaarheid onder de knie, terwijl er ten aanzien van de elleboogklachten geen aanknopingspunten bestaan om beperkingen aan te nemen. Ten slotte heeft de bezwaarverzekeringsarts opgemerkt dat, indien appellante werkzaam is in passende arbeid, waarbij met de voor haar aangegeven beperkingen rekening wordt gehouden, er geen reden aanwezig is voor een urenbeperking, noch vanuit energetisch noch vanuit preventief oogpunt. Ook is er geen sprake van een medisch voorgeschreven behandeling op basis waarvan appellante een substantieel deel van de werkdag niet beschikbaar is voor arbeid.

4.3. De Raad stelt vast dat appellante ook in hoger beroep geen medische gegevens heeft ingebracht die aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies waartoe beide verzekeringsartsen zijn gekomen. Ook heeft appellante niet kunnen concretiseren welke actuele medische informatie - vanuit de behandelend sector of anderszins - door de verzekeringsartsen zou zijn gemist.

4.4. Voorts is, gelet ook op de door de arbeidskundige verstrekte uitleg, ook voor de Raad genoegzaam komen vast te staan dat de belasting van de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd binnen de aangegeven belastbaarheid valt.

4.5. Ten slotte onderschrijft de Raad - ook - hetgeen de rechtbank heeft geoordeeld met betrekking tot de grief van appellante over het niveau van de functies. Doorslaggevend bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling als de onderhavige is wat appellante nog kan verdienen met alle algemeen geaccepteerde arbeid die voor haar krachten en bekwaamheden is berekend. Of die functies in billijkheid zijn op te dragen gelet op haar opleiding en vroeger beroep vormt sinds 1 augustus 1993 geen criterium meer bij de beantwoording van de vraag naar de bruikbaarheid van functies bij een schatting. Voor zover appellante bedoelt te stellen dat het (moeten) gaan verrichten van functies als de onderhavige een nadelige invloed heeft op haar psychische gezondheidssituatie, dan merkt de Raad op dat ook die stelling, bij gebreke aan een toereikende objectief-medische onderbouwing, dient te worden gepasseerd.

4.6. De Raad komt tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er zijn geen gronden voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2009.

(get.) J.W. Schuttel

(get.) R.L. Rijnen.

IvR