Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2661

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2009
Datum publicatie
09-11-2009
Zaaknummer
08-5552 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. De Raad schaart zich achter de overwegingen die de rechtbank ter onderbouwing van dat oordeel heeft gegeven. Wat appellant ter onderbouwing van zijn hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Aan de eigen, niet met medische gegevens onderbouwde, mening van appellant met betrekking tot zijn gezondheidstoestand per de datum in geding kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat appellant daaraan gehecht wil zien. Aldus uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank voorts van oordeel dat de functies die uiteindelijk aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. In aanmerking genomen de diverse in dit dossier aanwezige arbeidskundige rapportages, waarbij in het bijzonder in de rapportage van 24 juni 2008 is ingegaan op de arbeidskundige gronden van het beroep bij de rechtbank, met name ook wat betreft het handelingstempo in de functies wikkelaar (SBC 267050) en productiemedewerker industrie (SBC 111180), is ook naar het oordeel van de Raad een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de passendheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5552 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 augustus 2008, 07/4128

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Bosveld, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als werktuigbouwkundig tekenaar. Met ingang van 10 april 1995 is hem een uitkering ingevolge onder andere de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk per 21 augustus 2005 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.2. Bij brief van 18 september 2006 heeft appellant zich met ingang van die datum volledig arbeidsongeschikt gemeld vanwege toegenomen psychische klachten. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 4 juli 2007 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 16 oktober 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, doch bij een tweede besluit van 4 juli 2007 (hierna: primair besluit) de WAO-uitkering met ingang van 10 april 2007 weer vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat na een periode van volledige arbeidsongeschiktheid appellant met ingang van laatstgenoemde datum met inachtneming van zijn psychische en fysieke beperkingen, daaronder begrepen de cardiale problematiek, weer geschikt is voor het verrichten van werkzaamheden in passende arbeid. Appellant heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 7 november 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard in die zin dat de WAO-uitkering eerst met ingang van 5 september 2007 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het primaire besluit herroepen en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 5 september 2007 vastgesteld op 45 tot 55%. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven met betrekking tot proceskosten en griffierecht.

2.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld geen aanleiding te hebben om de onderzoeken van de (bezwaar)verzekeringsarts onvoldoende zorgvuldig te achten of te oordelen dat deze de getrokken conclusies niet kunnen dragen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat noch uit de brief van 14 maart 2007 van BAVO Europoort, waar appellant onder behandeling is, noch uit de in het dossier aanwezige informatie uit 2001 en 2005 volgt dat per 5 september 2007 geen sprake is van duurzaam benutbare mogelijkheden. Evenmin volgt daaruit dat in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) met de beperkingen van appellant onvoldoende rekening is gehouden. De rechtbank heeft erop gewezen dat appellant zijn standpunt niet medisch heeft onderbouwd.

2.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat mede gezien de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 22 juni 2007 er geen aanleiding is om te oordelen dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen ten onrechte zijn geduid. Gelet op de hernieuwde berekening van het maatmaninkomen door het Uwv dient de arbeidsongeschiktheidsklasse per 5 september 2007 vastgesteld te worden op 45 tot 55%.

3. Appellant heeft in hoger beroep volhard in zijn stelling dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat hij vanwege zijn psychische en lichamelijke klachten per 5 september 2007 niet in staat is de als passend geduide functies te verrichten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat, gelet op de aangevoerde gronden, het hoger beroep van appellant zich alleen richt tegen de vaststelling door de rechtbank van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per 5 september 2007 op 45 tot 55%.

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. De Raad schaart zich achter de overwegingen die de rechtbank ter onderbouwing van dat oordeel heeft gegeven. Wat appellant ter onderbouwing van zijn hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Aan de eigen, niet met medische gegevens onderbouwde, mening van appellant met betrekking tot zijn gezondheidstoestand per de datum in geding kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat appellant daaraan gehecht wil zien.

4.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank voorts van oordeel dat de functies die uiteindelijk aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. In aanmerking genomen de diverse in dit dossier aanwezige arbeidskundige rapportages, waarbij in het bijzonder in de rapportage van 24 juni 2008 is ingegaan op de arbeidskundige gronden van het beroep bij de rechtbank, met name ook wat betreft het handelingstempo in de functies wikkelaar (SBC 267050) en productiemedewerker industrie (SBC 111180), is ook naar het oordeel van de Raad een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de passendheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies.

4.4. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1, 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

EK