Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2658

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2009
Datum publicatie
09-11-2009
Zaaknummer
08-3261 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De Raad heeft in hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit naar voren is gebracht geen aanknopingspunten aangetroffen om over de houdbaarheid in rechte van dat besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De Raad ziet geen redenen om het medische onderzoek van de verzekeringsartsen onvoldoende diepgaand of anderszins onvoldoende zorgvuldig te achten. De Raad onderschrijft voorts de visie van de bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep, als vervat in diens rapport van 17 oktober 2008, dat het hoger beroepschrift geen nieuwe gezichtspunten bevat. In het bijzonder herhaalt genoemde arts, onder verwijzing naar eerdere rapporten, het standpunt dat er geen indicatie bestaat voor de door appellante bepleite urenrestrictie. De Raad merkt nog op dat de eigen opvatting van appellante dat zij vanwege haar pijnklachten en de daarvoor gebruikte medicatie absoluut niet in staat is om te werken, althans niet in staat is om in een voltijds dienstverband te werken, ook in hoger beroep niet aan de hand van objectief-medische gegevens is onderbouwd. Uitgaande aldus van de juistheid van de ten aanzien van appellante vastgestelde belastbaarheid, staat ten slotte ook voor de Raad genoegzaam vast dat appellante ten tijde hier van belang in staat was tot het vervullen van de bij de schatting betrokken functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/3261 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 april 2008, 07/3312

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. van den Berg, advocaat te Spijkenisse, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2009. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door J.C. Geldof.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als adjunct-hoofd/leidster kinderopvang. Na uitval vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet in april 1999 wegens rugklachten, is zij met ingang van 25 april 2000 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2.1. Bij besluit van 2 januari 2007 is de WAO-uitkering van appellante met ingang van 28 februari 2007 ingetrokken, op de grond dat haar arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.

2.2. Bij besluit van 1 augustus 2007, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 januari 2007 ongegrond verklaard.

3.1. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3.2. De rechtbank heeft overwogen dat het door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts ingestelde medische onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Voorts heeft de rechtbank geen aanleiding gevonden om het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medische oordeel voor onjuist te houden. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen de reacties van de bezwaarverzekeringsarts J. van der Stoep op hetgeen van de zijde van appellante met betrekking tot dat oordeel in beroep naar voren is gebracht.

3.3. Uitgaande aldus van de juistheid van de ten aanzien van appellante vastgestelde medische beperkingen, heeft de rechtbank zich ook kunnen verenigen met de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, waaronder met name ook de functie van autoverkoper.

4.1. In hoger beroep heeft appellante haar bezwaren tegen het bestreden besluit gehandhaafd. Zij blijft van mening dat zij als gevolg van het geheel van haar - nog immer aanwezige -(pijn)klachten, met name aan rug, nek en schouders, gecombineerd met weke delen reuma, niet in staat is tot het in een voltijdse omvang verrichten van loonvormende arbeid. Zij acht zich aldus niet in staat tot het vervullen van de bij de schatting als voor haar passende arbeidsmogelijkheden in aanmerking genomen functies. Appellante meent dat het onderzoek door de verzekeringsartsen onvoldoende is geweest en dat in verband daarmee aanleiding bestaat tot raadpleging van een onafhankelijk deskundige.

4.2. De Raad heeft in hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit naar voren is gebracht geen aanknopingspunten aangetroffen om over de houdbaarheid in rechte van dat besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De Raad onderschrijft dat oordeel zomede de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd. Met name ziet ook de Raad geen redenen om het medische onderzoek van de verzekeringsartsen onvoldoende diepgaand of anderszins onvoldoende zorgvuldig te achten.

4.3. De Raad onderschrijft voorts de visie van de bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep, als vervat in diens rapport van 17 oktober 2008, dat het hoger beroepschrift geen nieuwe gezichtspunten bevat. In het bijzonder herhaalt genoemde arts, onder verwijzing naar eerdere rapporten, het standpunt dat er geen indicatie bestaat voor de door appellante bepleite urenrestrictie. De Raad merkt nog op dat de eigen opvatting van appellante dat zij vanwege haar pijnklachten en de daarvoor gebruikte medicatie absoluut niet in staat is om te werken, althans niet in staat is om in een voltijds dienstverband te werken, ook in hoger beroep niet aan de hand van objectief-medische gegevens is onderbouwd.

4.4. In het voorgaande ligt besloten dat ook de Raad geen aanleiding ziet tot inwilliging van het verzoek van appellante tot raadpleging van een onafhankelijk medisch deskundige.

4.5. Uitgaande aldus van de juistheid van de ten aanzien van appellante vastgestelde belastbaarheid, staat ten slotte ook voor de Raad genoegzaam vast dat appellante ten tijde hier van belang in staat was tot het vervullen van de bij de schatting betrokken functies.

4.6. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) R.L. Rijnen.

IvR