Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2656

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2009
Datum publicatie
09-11-2009
Zaaknummer
09-1843 WAO
Formele relaties
Einduitspraak na bestuurlijke lus: ECLI:NL:CRVB:2012:BY0041
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering en TW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Voor het inwinnen van nadere informatie bij de fysiotherapeut van appellant ziet de Raad om reden van de conclusie van Keus ter zake van de hypertonie van de bekkenbodem voor de belastbaarheid van appellant geen aanleiding. Ook kon Keus bij zijn beoordeling van de belastbaarheid van appellant volstaan met het betrekken van de inlichtingen, welke verkregen waren met het rapport van psychiater Jessurun van 25 maart 2005 en welke, voor zover het betreft de psychische gesteldheid van appellant rond de datum in geding, in essentie niet afweken van zijn kort na het nemen van het bestreden besluit ontvangen brief van 24 juli 2008. De aan appellant geduide en aan de schatting ten grondslag gelegde functies zijn in medisch opzicht voor hem geschikt te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/1843 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 februari 2009, 08/6371

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2009.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met vermelding van het volgende. Bij besluit van 31 januari 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 21 maart 2005 ingetrokken op de grond dat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Daaraan lag het standpunt ten grondslag dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen geschikt was te achten voor het verrichten van werkzaamheden in passende functies zonder verlies aan verdiencapaciteit. Bij besluit van eveneens 31 januari 2005 heeft het Uwv voorts de aan appellant toegekende toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) met ingang van eveneens 21 maart 2005 ingetrokken, omdat hij geen recht meer had op een WAO-uitkering. De tegen de besluiten van 31 januari 2005 gemaakte bezwaren zijn – na twee beroepsprocedures tegen twee eerdere besluiten op bezwaar – bij besluit van 24 juli 2008 (hierna: bestreden besluit) wederom ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat het medisch onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsarts onvolledig en onzorgvuldig is geweest. Het spreekuurcontact met de bezwaarverzekeringsarts na de uitspraak van de rechtbank van 19 september 2007 was te kort en er is ten onrechte geen informatie ingewonnen bij zijn bekkenfysiotherapeut. Voorts dateren de rapportage van zijn behandelend psychiater R.W. Jessurun van 24 juli 2008 en de reactie daarop van de bezwaarverzekeringsarts M. Keus van 31 juli 2008 van na het nemen van het bestreden besluit. Verder blijkt uit de ontvangen informatie van de behandelend sector onvoldoende dat hij op de datum in geding niet arbeidsongeschikt zou zijn. Appellant acht zich vanwege zijn klachten volledig arbeidsongeschikt, zodat hij ongewijzigd recht heeft op uitkeringen ingevolge de WAO en de TW.

4.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt niet onzorgvuldig of onvolledig genoemd kan worden en dat de voor appellant in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 7 december 2004 vastgelegde psychische en lichamelijke beperkingen niet onjuist zijn. De Raad overweegt in dit verband dat uit de opeenvolgende verzekeringsgeneeskundige rapportages blijkt dat er met betrekking tot de in geding zijnde datum 21 maart 2005 in elk geval lichamelijk onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts G. Durlinger op 8 mei 2006 en onderzoek naar de psychische gesteldheid van appellant op 7 december 2004 door de verzekeringsarts en op 8 mei 2006 door Durlinger heeft plaatsgevonden. Uit de rapportage van 23 juli 2008 van Keus valt voorts af te leiden dat deze bij zijn beoordeling de eerder ontvangen rapportage van Jessurun van 15 maart 2005 en de aan de huisarts verstrekte inlichtingen van de behandelend uroloog van 10 april 2007 heeft betrokken. Keus heeft overwogen dat de informatie van de uroloog geen nieuwe nog niet eerder onderkende belangrijke medische feiten of omstandigheden aan het licht heeft gebracht. Bij aanvullend urologisch onderzoek zijn er geen afwijkingen gevonden en met de genoemde hypertonie van de spieren in de bekkenbodem is bij het duiden van onder meer een beperkte zitduur voldoende rekening gehouden. Keus heeft verder geconstateerd dat met het vaststellen van de functionele mogelijkheden voldoende rekening is gehouden met de door appellant ervaren psychische klachten, die door Jessurun evenwel ernstiger werden ingeschat dan bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 7 december 2004 en 8 mei 2006. Keus heeft geconcludeerd dat de informatie van de behandelend sector geen aanleiding gaf om te stellen dat de belastbaarheid van appellant per 21 maart 2005 is overschat. Naar aanleiding van de bij brief van 24 juli 2008 ontvangen inlichtingen van Jessurun heeft Keus in zijn rapportage van 31 juli 2008 overwogen dat reeds bekend was dat appellant rond de datum in geding met psychische klachten kampte, maar dat dit niet betekende dat er toen sprake was van het ontbreken van duurzaam benutbare mogelijkheden.

4.2. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht overweegt de Raad nog dat uit overweging 4.1 volgt dat de beschikbare medische gegevens voor de bezwaarverzekeringsarts Keus voldoende informatie bevatten omtrent de gezondheidstoestand van appellant op de in geding zijnde datum om tot een verantwoord oordeel te komen. Voor het inwinnen van nadere informatie bij de fysiotherapeut van appellant ziet de Raad om reden van de conclusie van Keus ter zake van de hypertonie van de bekkenbodem voor de belastbaarheid van appellant geen aanleiding. Ook kon Keus bij zijn beoordeling van de belastbaarheid van appellant volstaan met het betrekken van de inlichtingen, welke verkregen waren met het rapport van psychiater Jessurun van 25 maart 2005 en welke, voor zover het betreft de psychische gesteldheid van appellant rond de datum in geding, in essentie niet afweken van zijn kort na het nemen van het bestreden besluit ontvangen brief van 24 juli 2008.

4.3. Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat, gelet op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 16 februari 2007, de aan appellant geduide en aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor hem geschikt zijn te achten.

4.4. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de intrekking van de WAO-uitkering met ingang van 21 maart 2005, terecht ongegrond heeft verklaard.

4.5. Appellant heeft met betrekking tot de intrekking van de TW-uitkering met ingang van 21 maart 2005 geen zelfstandige grieven aangevoerd. Nu de Raad ook overigens geen grond ziet dat het Uwv ten onrechte de TW-uitkering van appellant met ingang van laatstgenoemde datum heeft ingetrokken, heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ook in zoverre terecht ongegrond verklaard.

4.6. De beoordeling van het hoger beroep leidt de Raad tot de slotsom dat dit niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid vanM.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

JL