Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2654

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2009
Datum publicatie
09-11-2009
Zaaknummer
09-1422 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAZ-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Geen medische gegevens ingebracht die doen twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde medische beperkingen. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is ook de Raad van oordeel dat de functies die uiteindelijk aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. In de diverse arbeidskundige rapportages zijn de bezwaren van appellant tegen de geduide functies op goede gronden weerlegd met de door de (bezwaar)arbeidsdeskundige gegeven motivering van de geschiktheid voor deze functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/1422 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 26 februari 2009, 07/935 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.H. Sloof, advocaat te Almere, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Sloof. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J.G. Lindeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als strandpaviljoenbeheerder. In verband met whiplashklachten na een ongeval is hem met ingang van 21 juni 1997 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en laatstelijk op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). In verband met een herbeoordeling heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek plaatsgevonden. Op grond van de bevindingen van dat onderzoek heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen geschikt is te achten voor het verrichten van passende werkzaamheden zonder relevant verlies aan verdiencapaciteit, zodat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 25% is.

1.2. Bij besluit van 16 januari 2007 is de WAZ-uitkering van appellant met ingang van 17 maart 2007 ingetrokken. Het tegen dat besluit door appellant gemaakt bezwaar is bij besluit van 21 mei 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen geen reden te zien deze voor onjuist te houden. Daartoe heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak als volgt overwogen, waar voor eiser dient te worden gelezen appellant:

“Voor zover namens eiser is betoogd dat hij meer beperkt moet worden geacht dan door de (bezwaar)verzekeringsarts is aangenomen, overweegt de rechtbank dat de bezwaarverzekeringsarts C.H. Schnitger-Horsthuis in haar advies van 28 oktober 2008 voldoende heeft gemotiveerd dat de overgelegde medische informatie van dr. Bruseker en dr. Busard geen aanleiding geeft om aanvullende beperkingen op te nemen in de FML. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarbij naar het oordeel van de rechtbank betekenis kunnen toekennen aan de vaststelling dat in het rapport van dr. Busard resultaten uit eigen onderzoek ontbreken en mede om die reden voor de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding vormt om van het eerder ingenomen standpunt af te wijken. Wat betreft eisers klachten veroorzaakt door een whiplash heeft de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerd aangegeven dat met eisers verminderde nekfunctie voldoende rekening is gehouden in de FML. De rechtbank acht voorts voldoende gemotiveerd dat in de FML van 29 november 2006 is volstaan met een toelichting op het item frequent reiken tijdens het werk. De bezwaarverzekeringsarts heeft gemotiveerd aangegeven dat rekening is gehouden met het krachtverlies in eisers linkerarm. Voorts blijkt uit het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 6 augustus 2008 dat er volgens de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding is om eiser meer beperkt te achten op het vlak van handvaardigheid. Ook voor wat betreft de verminderde kracht die eiser in zijn linkerhand ondervindt, is gemotiveerd aangegeven dat van afwijkingen aan eisers rechterhand niet is gebleken. Van overbelasting van de rechterhand is geen sprake volgens de bezwaarverzekeringsarts omdat eiser in staat wordt geacht zijn linkerhand te gebruiken, mits er minder kracht nodig is.

(…)

De bezwaarverzekeringsarts heeft in het ziektebeeld en dagelijks functioneren van eiser geen aanleiding gezien een urenbeperking op te nemen. De rechtbank heeft geen aanleiding gevonden om hieraan te twijfelen. De beroepsgrond dat er ten onrechte geen medische beperkingen zijn aangenomen met betrekking tot eisers gevoeligheid voor licht is niet met (nadere) medische gegevens onderbouwd en slaagt derhalve niet. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat de bezwaarverzekeringsarts eisers beperkingen onjuist heeft vastgesteld. De rechtbank acht hierbij van belang dat de bezwaarverzekeringsarts het zinvol acht dat eiser gemobiliseerd en geactiveerd wordt om aan het werk te gaan.”

2.2. Wat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit betreft heeft de rechtbank geoordeeld dat de bezwaararbeidsdeskundige voldoende heeft gemotiveerd dat appellant de werkzaamheden – met uitzondering van de vervallen functie controleur metaalproducten (SBC 264150) – in de geduide functies kan verrichten.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Hij heeft aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat hij meer beperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen en dat hij zich niet in staat acht tot het verrichten van arbeid. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant gewezen op hetgeen hij in bezwaar en beroep reeds had aangevoerd. In hoger beroep heeft hij aanvullend in het geding gebracht een onderzoeksverslag van 13 februari 2009 van het Centraal Instituut Rugzorg B.V. (CIR) alsmede een schrijven van 25 juni 2009 van de neuroloog P.E.M. Schoth.

3.2. Het Uwv heeft in het verweerschrift het bij het bestreden besluit ingenomen standpunt gehandhaafd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad kan zich verenigen met hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen omtrent de medische grondslag van het bestreden besluit en maakt de hiervoor geciteerde overwegingen tot de zijne. Wat appellant ter onderbouwing van zijn hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Ook in hoger beroep heeft appellant geen medische gegevens ingebracht die doen twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde medische beperkingen.

4.2. Naar aanleiding van hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad nog het volgende. De bezwaarverzekeringsarts J.C.H. Schnitger-Horsthuis heeft in haar rapportage van 7 april 2009 geconcludeerd dat de medische informatie in het onderzoeksverslag van het CIR van 13 februari 2009 geen aanleiding geeft om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Zij heeft er daarbij op gewezen dat de bevindingen reden zouden kunnen zijn, indien beter gedocumenteerd, om enige beperkingen aan te geven voor fysiek zwaar werk. Nu door de verzekeringsarts reeds in ruime mate beperkingen zijn gegeven voor fysiek belastend werk, geeft dit rapport geen aanleiding, op grond van objectiveerbare feiten, meer beperkingen toe te kennen. Met betrekking tot het psychosociaal onderzoek blijkt niet, aldus de bezwaarverzekeringsarts, dat dit is verricht door een psycholoog of een psychiater. Verder is er geen diagnose gesteld, zodat ook dit onderzoek haar geen aanleiding geeft nadere beperkingen te stellen. De Raad onderschrijft deze conclusies van de bezwaarverzekeringsarts en voegt daar nog aan toe dat blijkens de weergave van de vraagstelling van het rapport van CIR de stand van zaken met betrekking tot de belastbaarheid ten tijde van het onderzoek op 21 januari 2009 aan de orde was. Wat betreft de in het schrijven van 25 juni 2009 door de neuroloog Schoth beschreven medische feiten volgt de Raad het standpunt van het Uwv dat deze feiten geen aanleiding geven het ingenomen standpunt te wijzigen, nu met betrekking tot de linker arm en -hand reeds beperkingen zijn aangenomen.

4.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is ook de Raad van oordeel dat de functies die uiteindelijk aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. In de diverse arbeidskundige rapportages zijn de bezwaren van appellant tegen de geduide functies op goede gronden weerlegd met de door de (bezwaar)arbeidsdeskundige gegeven motivering van de geschiktheid voor deze functies.

4.4. Uit hetgeen onder 4.1, 4.2 en 4.3 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

EK