Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2543

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-10-2009
Datum publicatie
09-11-2009
Zaaknummer
08-2384 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de Raad is de relevante context het gegeven dat het HARP speciaal voor rijdend personeel geldt en dat ook de seniorenregeling toegespitst is op het werk van een personenvervoerder bij het bereiken van een zekere leeftijd en na een zekere duur van dat werk voorafgaand aan het bereiken van die leeftijd. Hier zijn van belang geacht de specifieke omstandigheden voor de personenvervoerder, mede gerelateerd aan het verricht hebben van dat werk vanaf de leeftijd van 40 jaar. Aldus ontbreekt een plausibele reden voor een overgangsbepaling die elke op 1-11-2000 in dienst zijnde GVB ambtenaar onmiddellijk bij het bereiken van de leeftijd van 50 jaar - mits op dat moment werkzaam als personenvervoerder - terstond aanspraak geeft op seniorenfaciliteiten. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank niet een op deze context van de regeling toegespitste motivering gegeven van de door haar gekozen uitleg van de overgangsregeling. Ook betrokkene heeft geen overtuigende verklaring gegeven voor een dergelijke uitleg. Naar het oordeel van de Raad brengt een redelijke uitleg van de overgangsregeling dus mee, dat met “medewerkers die op 1-11-2000 in dienst waren” bedoeld zijn personen-vervoerders die op 1-11-2000 in dienst waren. Vernietiging aangevallen uitspraak. Verklaart het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/37

Uitspraak

08/2384 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 maart 2008, 07/1352 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 29 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.A. de Jong, advocaat te Amsterdam, die zich liet bijstaan door [naam I.B.], werkzaam bij het Gemeentelijk Vervoer Bedrijf. Betrokkene was aanwezig, bijgestaan door mr. J.H.H. Baljet, advocaat te Amsterdam.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreider overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandig-heden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het volgende.

1.1. Ter gelegenheid van het ontslag van betrokkene uit zijn functie van [naam functie] bij het destijds onder de gemeente Amsterdam ressorterende Gemeentelijk Vervoer Bedrijf en zijn benoeming in de functie van personenvervoerder Bus is voor betrokkene een financiële afbouwregeling getroffen. Tevens is meegedeeld dat de bij de Seniorenregeling rijdend personeel tram en bus (hierna: seniorenregeling) behorende overgangsbepaling niet op betrokkene van toepassing is. Bij besluit van 21 mei 2007 zijn deze onderdelen van het benoemingsbesluit in stand gebleven.

1.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de financiële afbouwregeling niet kennelijk onredelijk geoordeeld. Omdat de rechtbank van opvatting was dat de overgangsbepaling bij de seniorenregeling wel op betrokkene van toepassing was, is het beroep in zoverre gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover het dat onderdeel betrof, bepaald dat betrokkene vanaf 20 oktober 2006 aanspraak had op de seniorenregeling en heeft de rechtbank haar uitspraak in de plaats gesteld van het vernietigde gedeelte van het besluit. Tevens zijn bepalingen gegeven over griffierecht en proceskosten.

2. Het hoger beroep is gericht tegen het onderdeel van de aangevallen uitspraak met betrekking tot de overgangsbepaling bij de seniorenregeling. Appellant heeft zijn standpunt over de betekenis van de overgangsbepaling gehandhaafd. Betrokkene heeft zich achter de aangevallen uitspraak geschaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

3.1. De in dit geding aan de orde zijnde seniorenregeling is onderdeel van het zogenoemde Handboek arbeidsvoorwaarden rijdend personeel (hierna: HARP), dat door de leiding van het GVB is vastgesteld als aanvulling op de door appellant vastgestelde arbeidsvoorwaarden. Anders dan appellant merkt de Raad het HARP - ten tijde hier van belang - niet aan als algemeen verbindend voorschrift, omdat ingevolge artikel 160 van de Gemeentewet de bevoegdheid tot regeling van de rechtspositie van de bij de gemeente Amsterdam aangestelde ambtenaren bij appellant ligt. De Raad merkt de seniorenregeling uit het HARP aan als namens appellant vastgesteld beleid.

3.2. Vanaf 2003 gold de seniorenregeling voor de personenvervoerder die direct vooraf-gaand aan het moment van toetreding, dat wil zeggen bij het bereiken van de leeftijd van 50 jaar, 10 jaar aaneengesloten als personenvervoerder Tram/Bus in dienst van het GVB had gewerkt. De personenvervoerder die bij het bereiken van de 50-jarige leeftijd nog geen 10 jaar als personenvervoerder Tram/Bus in dienst van het GVB heeft gewerkt, mag de seniorenregeling gaan gebruiken zodra hij wel voldoet aan genoemde 10 jaar. Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene ten tijde van zijn verzoek niet aan de hiervoor bedoelde voorwaarden voldeed, omdat hij, hoewel toen 57 jaar oud, en bij het GVB werkzaam geweest als personenvervoerder in de jaren 1973 tot 1995, bij de overstap per 1 december 2005 of kort daarna niet direct daaraan voorafgaand 10 jaar als personenvervoerder Tram/Bus had gewerkt.

3.3. De in 2003 eveneens tot stand gekomen overgangsbepaling luidde ten tijde hier van belang: “medewerkers die op 1-11-2000 in dienst waren, maar minder dan 10 jaar hebben gewerkt als personenvervoerder Tram/Bus op het moment dat de betreffende medewerker de 50-jarige leeftijd heeft bereikt, mogen toch gebruik maken van deze seniorenregeling”.

3.4. Tussen partijen is in geschil of betrokkene moet worden aangemerkt als een medewerker die behoort tot de medewerkers als bedoeld in de onder 3.3 geciteerde overgangsbepaling.

3.4.1. De Raad kan appellant volgen in zijn standpunt dat de zinsnede “medewerkers die op 1-11-2000 in dienst waren” niet onmiddellijk duidelijk is, omdat de seniorenregeling alleen voor de personenvervoerders geldt, in de regeling steeds de personenvervoerder wordt genoemd en de personenvervoerder ook in de overgangsbepaling als zodanig wordt genoemd. Naar vaste rechtspraak van de Raad (onder meer CRvB 7 september 2006, LJN AY9055 en TAR 2007, 5 ) brengt die onduidelijkheid mee dat de betekenis moet worden vastgesteld in de context van de regeling en met inachtneming van de strekking van de regeling. Aangezien het bij dit overgangsrecht gaat om een uitbreiding van de hoofdregel ligt, anders dan namens betrokkene is betoogd, een ruime uitleg niet voor de hand.

3.4.2. Naar het oordeel van de Raad is de relevante context het gegeven dat het HARP speciaal voor rijdend personeel geldt en dat ook de seniorenregeling toegespitst is op het werk van een personenvervoerder bij het bereiken van een zekere leeftijd en na een zekere duur van dat werk voorafgaand aan het bereiken van die leeftijd. Hier zijn van belang geacht de specifieke omstandigheden voor de personenvervoerder, mede gerelateerd aan het verricht hebben van dat werk vanaf de leeftijd van 40 jaar. Aldus ontbreekt een plausibele reden voor een overgangsbepaling die elke op 1-11-2000 in dienst zijnde GVB ambtenaar onmiddellijk bij het bereiken van de leeftijd van 50 jaar

- mits op dat moment werkzaam als personenvervoerder - terstond aanspraak geeft op seniorenfaciliteiten. De overgangsregeling zou daarmee een louter aan de leeftijd van de medewerker gekoppelde voorziening worden. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank niet een op deze context van de regeling toegespitste motivering gegeven van de door haar gekozen uitleg van de overgangsregeling. Ook betrokkene heeft geen overtuigende verklaring gegeven voor een dergelijke uitleg. Naar het oordeel van de Raad brengt een redelijke uitleg van de overgangsregeling dus mee, dat met “medewerkers die op 1-11-2000 in dienst waren” bedoeld zijn personen-vervoerders die op 1-11-2000 in dienst waren.

3.5. Het hoger beroep slaagt dus en de aangevallen uitspraak komt - voor zover in hoger beroep aangevochten - voor vernietiging in aanmerking. Aangezien het bestreden besluit - voor zover bij de rechtbank aangevochten - in stand kan blijven, zal de Raad het beroep alsnog ongegrond verklaren.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 21 mei 2007 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2009.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD