Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2541

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-10-2009
Datum publicatie
09-11-2009
Zaaknummer
08-2919 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de Raad is de relevante context het gegeven dat het HARP speciaal voor rijdend personeel geldt en dat ook de seniorenregeling toegespitst is op het werk van een personenvervoerder bij het bereiken van een zekere leeftijd en na een zekere duur van dat werk voorafgaand aan het bereiken van die leeftijd. Hier zijn van belang geacht de specifieke omstandigheden voor de personenvervoerder, mede gerelateerd aan het verricht hebben van dat werk vanaf de leeftijd van 40 jaar. Aldus ontbreekt een plausibele reden voor een overgangsbepaling die elke op 1-11-2000 in dienst zijnde GVB ambtenaar onmiddellijk bij het bereiken van de leeftijd van 50 jaar - mits op dat moment werkzaam als personenvervoerder - terstond aanspraak geeft op seniorenfaciliteiten. De overgangsregeling zou daarmee een louter aan de leeftijd van de medewerker gekoppelde voorziening worden. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank niet een op deze context van de regeling toegespitste motivering gegeven van de door haar gekozen uitleg van de overgangsregeling. Ook betrokkene heeft geen overtuigende verklaring gegeven voor een dergelijke uitleg. Naar het oordeel van de Raad brengt een redelijke uitleg van de overgangsregeling dus mee, dat met “medewerkers die op 1-11-2000 in dienst waren” bedoeld zijn personen-vervoerders die op 1-11-2000 in dienst waren. Appellant heeft ter zitting aangegeven, dat in het kader van een minnelijke regeling rond demotie in uitzonderlijke gevallen de seniorenregeling wordt toegepast ook als de regeling daarin niet voorziet. Nu daarvan bij collega [naam collega] sprake is geweest, ziet appellant geen aan het geval van betrokkene gelijk geval. In aanmerking genomen dat betrokkene de aanwezigheid van een minnelijke regeling bij collega [naam collega] niet heeft weersproken, is de Raad van oordeel dat appellant daarin kan worden gevolgd. Vernietiging aangevallen uitspraak. Verklaart het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2919 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 april 2008, 07/1193 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 29 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.A. de Jong, advocaat te Amsterdam, die zich liet bijstaan door [Naam I.B.], werkzaam bij het Gemeentelijk Vervoer Bedrijf.Betrokkene was aanwezig, bijgestaan door mr. T.G.J. Horlings, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreider overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandig-heden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene, destijds aangesteld bij het onder de gemeente Amsterdam ressorterende Gemeentelijk Vervoer Bedrijf (GVB), is met ingang van 1 december 2005 op zijn verzoek vanuit zijn functie van planner/indeler van de afdeling INDA overgestapt naar de functie van personenvervoerder. Zijn verzoek van 3 januari 2006 om uit hoofde van zijn leeftijd geen late diensten meer te hoeven verrichten, is afgewezen. Na een daartegen gemaakt bezwaar is bij besluit van 8 februari 2007 de afwijzing gehandhaafd, omdat betrokkene niet voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de overgangsbepaling van de Seniorenregeling rijdend personeel tram en bus (hierna: seniorenregeling) en omdat het door betrokkene aangewezen geval niet als een gelijk geval werd aangemerkt.

1.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de overgangsbepaling wel op betrokkene van toepassing was, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak en bepalingen gegeven over griffierecht en proceskosten.

2. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt over de betekenis van de overgangs-bepaling gehandhaafd. Betrokkene heeft zich achter de aangevallen uitspraak geschaard en gewezen op zijn collega [naam collega], die in een vergelijkbare situatie verkeerde als hij en die wel gebruik maakt van de seniorenregeling.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

3.1. De in dit geding aan de orde zijnde seniorenregeling is onderdeel van het zogenoemde Handboek arbeidsvoorwaarden rijdend personeel (hierna: HARP), dat door de leiding van het GVB is vastgesteld als aanvulling op de door appellant vastgestelde arbeidsvoorwaarden. Anders dan appellant merkt de Raad het HARP - ten tijde hier van belang - niet aan als algemeen verbindend voorschrift, omdat ingevolge artikel 160 van de Gemeentewet de bevoegdheid tot regeling van de rechtspositie van de bij de gemeente Amsterdam aangestelde ambtenaren bij appellant ligt. De Raad merkt de seniorenregeling uit het HARP aan als namens appellant vastgesteld beleid.

3.2. Vanaf 2003 gold de seniorenregeling voor de personenvervoerder die direct vooraf-gaand aan het moment van toetreding, dat wil zeggen bij het bereiken van de leeftijd van 50 jaar, 10 jaar aaneengesloten als personenvervoerder Tram/Bus in dienst van het GVB had gewerkt. De personenvervoerder die bij het bereiken van de 50-jarige leeftijd nog geen 10 jaar als personenvervoerder Tram/Bus in dienst van het GVB heeft gewerkt, mag de seniorenregeling gaan gebruiken zodra hij wel voldoet aan genoemde 10 jaar Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene ten tijde van zijn verzoek niet aan de hiervoor bedoelde voorwaarden voldeed, omdat hij, hoewel toen 57 jaar oud, en bij het GVB werkzaam geweest als personenvervoerder in de jaren 1973 tot 1995, bij de overstap per 1 december 2005 of kort daarna niet direct daaraan voorafgaand 10 jaar als personenvervoerder Tram/Bus had gewerkt.

3.3. De in 2003 eveneens tot stand gekomen overgangsbepaling luidde ten tijde hier van belang: “medewerkers die op 1-11-2000 in dienst waren, maar minder dan 10 jaar hebben gewerkt als personenvervoerder Tram/Bus op het moment dat de betreffende medewerker de 50-jarige leeftijd heeft bereikt, mogen toch gebruik maken van deze seniorenregeling”.

3.4. Tussen partijen is in geschil of betrokkene moet worden aangemerkt als een medewerker die behoort tot de medewerkers als bedoeld in de onder 3.3 geciteerde overgangsbepaling.

3.4.1. De Raad kan appellant volgen in zijn standpunt dat de zinsnede “medewerkers die op 1-11-2000 in dienst waren” niet onmiddellijk duidelijk is, omdat de seniorenregeling alleen voor de personenvervoerders geldt, in de regeling steeds de personenvervoerder wordt genoemd en de personenvervoerder ook in de overgangsbepaling als zodanig wordt genoemd. Naar vaste rechtspraak van de Raad (onder meer CRvB 7 september 2006, LJN AY9055 en TAR 2007, 5 ) brengt die onduidelijkheid mee dat de betekenis moet worden vastgesteld in de context van de regeling en met inachtneming van de strekking van de regeling. Aangezien het bij dit overgangsrecht gaat om een uitbreiding van de hoofdregel ligt, anders dan namens betrokkene is betoogd, een ruime uitleg niet voor de hand.

3.4.2. Naar het oordeel van de Raad is de relevante context het gegeven dat het HARP speciaal voor rijdend personeel geldt en dat ook de seniorenregeling toegespitst is op het werk van een personenvervoerder bij het bereiken van een zekere leeftijd en na een zekere duur van dat werk voorafgaand aan het bereiken van die leeftijd. Hier zijn van belang geacht de specifieke omstandigheden voor de personenvervoerder, mede gerelateerd aan het verricht hebben van dat werk vanaf de leeftijd van 40 jaar. Aldus ontbreekt een plausibele reden voor een overgangsbepaling die elke op 1-11-2000 in dienst zijnde GVB ambtenaar onmiddellijk bij het bereiken van de leeftijd van 50 jaar

- mits op dat moment werkzaam als personenvervoerder - terstond aanspraak geeft op seniorenfaciliteiten. De overgangsregeling zou daarmee een louter aan de leeftijd van de medewerker gekoppelde voorziening worden. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank niet een op deze context van de regeling toegespitste motivering gegeven van de door haar gekozen uitleg van de overgangsregeling. Ook betrokkene heeft geen overtuigende verklaring gegeven voor een dergelijke uitleg. Naar het oordeel van de Raad brengt een redelijke uitleg van de overgangsregeling dus mee, dat met “medewerkers die op 1-11-2000 in dienst waren” bedoeld zijn personen-vervoerders die op 1-11-2000 in dienst waren. Het hoger beroep slaagt dus en de aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking.

3.5. De Raad dient vervolgens te beoordelen of betrokkene uit hoofde van het gelijkheids-beginsel toch aanspraak op de seniorenregeling kan maken. De door betrokkene in hoger beroep genoemde [naam collega] was van 1979 tot 1 december 1998 personenvervoerder bij het GVB, werkte vervolgens tot 1 april 2007 als medewerker/opzichter bij de GVB-wegdienst en is vanaf laatstgenoemde datum weer werkzaam als personenvervoerder tram/logemedewerker. Hij maakt gebruik van de seniorenregeling.

3.5.1. Appellant heeft ter zitting aangegeven, dat in het kader van een minnelijke regeling rond demotie in uitzonderlijke gevallen de seniorenregeling wordt toegepast ook als de regeling daarin niet voorziet. Nu daarvan bij collega [naam collega] sprake is geweest, ziet appellant geen aan het geval van betrokkene gelijk geval. In aanmerking genomen dat betrokkene de aanwezigheid van een minnelijke regeling bij collega [naam collega] niet heeft weersproken, is de Raad van oordeel dat appellant daarin kan worden gevolgd.

3.6. Het vorenstaande brengt mee dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden en dat het beroep alsnog ongegrond verklaard moet worden.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 8 februari 2007 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2009.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD