Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2540

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-10-2009
Datum publicatie
09-11-2009
Zaaknummer
08-756 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer aangezien in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellante getroffen is door onder de Wet vallend oorlogsgeweld. Geen sprake van een individuele en directe betrokkenheid. Gezien het voorgaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard. Daarmee is zeker niet beoogd te miskennen dat appellante tijdens de oorlogsjaren en de Bersiap-periode angstige omstandigheden heeft ervaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/756 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

08/756 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 29 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 23 november 2007, kenmerk BZ 7863, JZ/A60/2007, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2009. Aldaar is appellante in persoon verschenen met bijstand van L. Gulickx, wonende te Haarlem. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1933 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in december 2006 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. Deze aanvraag heeft appellante gebaseerd op gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.

1.2. Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 21 mei 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Overwogen is dat niet is voldaan aan de in artikel 2, eerste lid, van de Wet vermelde voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer aangezien in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellante getroffen is door onder de Wet vallend oorlogsgeweld.

1.3. In beroep heeft appellante deze opvatting van verweerster bestreden.

2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden en overweegt als volgt.

2.1. Op grond van artikel 2, eerste lid, onder a, b, d en f, van de Wet wordt - voor zover hier van belang en kort samengevat - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan:

degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de Bersiap-periode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen:

- ten gevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;

- ten gevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode;

- ten gevolge van confrontatie op jeugdige leeftijd met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.

2.2. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de Raad gebleken dat de aanvraag van appellante vooral steunt op de ontwrichting van het (gezins)leven, de armoede en de dreiging die het gezin waartoe zij behoorde heeft ervaren ten gevolge van de Japanse bezetting en de onlusten tijdens de Bersiap-periode. De Raad stelt, overeenkomstig zijn vaste rechtspraak hierover, evenwel voorop dat algemene oorlogsomstandigheden - waaraan in meerdere of mindere mate iedereen heeft blootgestaan - niet zijn aan te merken als handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid, onder a en b, d, of f, van de Wet.

2.3. Appellante heeft verder in het bijzonder gewezen op het meemaken van bedreigingen van Indonesische extremisten tijdens de vlucht naar het AMS-gebouw en het aldaar meemaken van beschietingen.

2.4. Bij het door verweerster ingestelde, zorgvuldig te noemen onderzoek, waarbij historische gegevens en het bij verweerster bekende dossier van appellantes moeder zijn geraadpleegd alsmede de door appellante - als getuige - genoemde nichtjes zijn benaderd, is echter niet kunnen blijken dat appellante persoonlijk direct getroffen is geweest door calamiteiten als vermeld onder 2.1. De enkele omstandigheid dat een gestelde gebeurtenis past binnen de historische context, is naar - eveneens - vaste rechtspraak van de Raad onvoldoende om te aanvaarden dat sprake is van een individuele en directe betrokkenheid als bedoeld in artikel 2 van de Wet.

3. Gezien het voorgaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard. Daarmee is zeker niet beoogd te miskennen dat appellante tijdens de oorlogsjaren en de Bersiap-periode angstige omstandigheden heeft ervaren. De erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet is echter gebonden aan de in de Wet omschreven gebeurtenissen. Nu van zodanige gebeurtenissen niet is gebleken heeft verweerster terecht de door appellante gestelde psychische gevolgen buiten beschouwing gelaten.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2009.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) M. Lammerse.

HD

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 29 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 23 november 2007, kenmerk BZ 7863, JZ/A60/2007, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2009. Aldaar is appellante in persoon verschenen met bijstand van L. Gulickx, wonende te Haarlem. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1933 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in december 2006 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. Deze aanvraag heeft appellante gebaseerd op gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.

1.2. Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 21 mei 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Overwogen is dat niet is voldaan aan de in artikel 2, eerste lid, van de Wet vermelde voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer aangezien in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellante getroffen is door onder de Wet vallend oorlogsgeweld.

1.3. In beroep heeft appellante deze opvatting van verweerster bestreden.

2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden en overweegt als volgt.

2.1. Op grond van artikel 2, eerste lid, onder a, b, d en f, van de Wet wordt - voor zover hier van belang en kort samengevat - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan:

degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de Bersiap-periode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen:

- ten gevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;

- ten gevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode;

- ten gevolge van confrontatie op jeugdige leeftijd met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.

2.2. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de Raad gebleken dat de aanvraag van appellante vooral steunt op de ontwrichting van het (gezins)leven, de armoede en de dreiging die het gezin waartoe zij behoorde heeft ervaren ten gevolge van de Japanse bezetting en de onlusten tijdens de Bersiap-periode. De Raad stelt, overeenkomstig zijn vaste rechtspraak hierover, evenwel voorop dat algemene oorlogsomstandigheden - waaraan in meerdere of mindere mate iedereen heeft blootgestaan - niet zijn aan te merken als handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid, onder a en b, d, of f, van de Wet.

2.3. Appellante heeft verder in het bijzonder gewezen op het meemaken van bedreigingen van Indonesische extremisten tijdens de vlucht naar het AMS-gebouw en het aldaar meemaken van beschietingen.

2.4. Bij het door verweerster ingestelde, zorgvuldig te noemen onderzoek, waarbij historische gegevens en het bij verweerster bekende dossier van appellantes moeder zijn geraadpleegd alsmede de door appellante - als getuige - genoemde nichtjes zijn benaderd, is echter niet kunnen blijken dat appellante persoonlijk direct getroffen is geweest door calamiteiten als vermeld onder 2.1. De enkele omstandigheid dat een gestelde gebeurtenis past binnen de historische context, is naar - eveneens - vaste rechtspraak van de Raad onvoldoende om te aanvaarden dat sprake is van een individuele en directe betrokkenheid als bedoeld in artikel 2 van de Wet.

3. Gezien het voorgaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard. Daarmee is zeker niet beoogd te miskennen dat appellante tijdens de oorlogsjaren en de Bersiap-periode angstige omstandigheden heeft ervaren. De erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet is echter gebonden aan de in de Wet omschreven gebeurtenissen. Nu van zodanige gebeurtenissen niet is gebleken heeft verweerster terecht de door appellante gestelde psychische gevolgen buiten beschouwing gelaten.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2009.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) M. Lammerse.

HD