Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2515

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-10-2009
Datum publicatie
09-11-2009
Zaaknummer
08-232 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om toekenning van een vergoeding van de kosten van vervoer voor het onderhouden van sociale contacten, op de grond dat de beperkingen die appellante ondervindt bij het gebruik maken van het openbaar vervoer niet uit haar psychische klachten voortvloeien doch uit haar niet-causale lichamelijke aandoeningen. De Raad acht het bestreden besluit op grond van de genoemde medische adviezen naar behoren voorbereid en gemotiveerd. In de in dit geval voor de toepassing van de BPW opgemaakte medische rapporten wordt ook ingegaan op de vervoersproblematiek van appellante en de oorzaken daarvan, behoefde verweerster op dat punt niet nog een apart medisch onderzoek van appellante te laten instellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/232 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 29 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 20 december 2007, kenmerk BZ 47179, JZ/C70/2007, door verweerster ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2009. Voor appellante is daar verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.Verweerster heeft eerder aanvaard dat appellante, geboren in 1940, psychische klachten heeft die redelijkerwijs verband houden met het overlijden van haar vader ten gevolge van tegen hem gerichte vervolging, en dat appellante op grond hiervan in beginsel in aanmerking komt voor gelijkstelling met de vervolgde met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet.

1.2. In november 2006 is namens appellante een aanvraag ingediend om toekenning van een vergoeding van de kosten van vervoer voor het onderhouden van sociale contacten.

Verweerster heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 8 maart 2007, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat de beperkingen die appellante ondervindt bij het gebruik maken van het openbaar vervoer niet uit haar psychische klachten voortvloeien doch uit haar niet-causale lichamelijke aandoeningen.

1.3. In beroep is, evenals in bezwaar, namens appellante vooral aangevoerd dat vanwege verweerster ten onrechte niet een gericht medisch onderzoek is ingesteld naar de uit haar psychische klachten voortvloeiende vervoersbeperkingen.

2. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt.

2.1. Het standpunt van verweerster is in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van verweerster. Deze adviezen berusten vooral op twee in 2006 en in 2007 in het kader van de door appellante tevens ingediende aanvraag op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (BPW) vanwege de Raadskamer wetten buitengewoon pensioen van de Pensioen- en Uitkeringsraad ingestelde medische onderzoeken. In de van die onderzoeken opgemaakte rapporten is uitvoerig aandacht besteed aan de aandoeningen van appellante en onder meer vastgesteld dat haar vervoersbeperkingen zijn toe te schrijven aan haar slechte mobiliteit vanwege een longaandoening. Ook is aandacht besteed aan de uit de psychische klachten van appellante voortvloeiende beperkingen.

2.2. De Raad acht het bestreden besluit op grond van de genoemde medische adviezen naar behoren voorbereid en gemotiveerd. Al meerdere malen heeft de Raad aanvaardbaar geoordeeld dat verweerster gebruik maakt van in het kader van de andere wetten voor oorlogsgetroffenen recent vergaarde medische onderzoeksgegevens. In aanmerking genomen dat in de in dit geval voor de toepassing van de BPW opgemaakte medische rapporten ook wordt ingegaan op de vervoersproblematiek van appellante en de oorzaken daarvan, behoefde verweerster op dat punt niet nog een apart medisch onderzoek van appellante te laten instellen.

Verder heeft de Raad in de voorhanden medische gegevens geen aanknopingspunt gevonden voor twijfel aan de juistheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag medisch oordeel.

3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden zodat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2009.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) M. Lammerse.

HD