Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2511

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2009
Datum publicatie
09-11-2009
Zaaknummer
08-1942 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel. Eenmalige verlaging bijstand met € 200,--. Raad is (...) met de rechtbank en het College van oordeel dat het re-integratietraject als gevolg van de handelwijze van appellant is beëindigd. Van deze handelwijze kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de omstandigheden en mogelijkheden van appellant het College aanleiding moeten geven om (...) de verlaging lager vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/1942 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 februari 2008, 06/5900 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 3 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.J.J. Hendrikse, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hendrikse. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.M. Diderich, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant ontvangt geruime tijd bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.3. Appellant heeft vanaf 10 augustus 2005 deelgenomen aan een traject bij Alexander Calder Arbeidsintegratie (hierna: Alexander Calder). Dit traject is een door het College aangeboden voorziening gericht op begeleiding en ondersteuning naar arbeidsinschakeling. Tussen appellant, [naam bedrijf] en Alexander Calder is een werkervaringsplaatsovereenkomst tot stand gekomen op basis waarvan appellant in de periode van 28 februari 2006 tot 28 mei 2006 gedurende drie dagen per week, acht uren per dag, werkzaamheden is gaan verrichten bij [naam bedrijf]. Deze werkervaringsperiode maakt deel uit van het re-integratietraject bij Alexander Calder. Appellant heeft, zoals toegelicht ter zitting van de Raad, deze overeenkomst in overleg met zijn mentor bij [naam bedrijf] medio mei 2006 beëindigd in verband met de zorg voor zijn kat, die bij een ongeluk op 30 april 2006 gewond is geraakt. Alexander Calder heeft op 8 juni 2006 een eindrapportage aan de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI) uitgebracht. Daarin is vermeld dat appellant na de beëindiging van de werkervaringsplaatsovereenkomst nog een kans heeft gekregen om zich te bewijzen. Appellant is niet verschenen op een door Alexander Calder georganiseerd sollicitatiegesprek op 7 juni 2006 en hij heeft zijn consulent bij het Alexander Calder laten weten vanwege zijn financiële problemen niet meer bij het re-integratiebedrijf aanwezig te kunnen zijn. Alexander Calder heeft gerapporteerd dat het door de mentale instelling van appellant en zijn gebrek aan bereidwilligheid niet gelukt is appellant aan het werk te krijgen.

1.4. Bij besluit van 25 september 2006 heeft het College de bijstand van appellant eenmalig verlaagd met € 200,-- op de grond dat appellant niet gemotiveerd heeft meegewerkt aan het re-integratietraject bij Alexander Calder. Bij besluit van 26 oktober 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 25 september 2006 ongegrond verklaard. Aan het besluit op bezwaar heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant diverse afspraken over de voortgang van het re-integratietraject niet dan wel niet tijdig is nagekomen en dat hij het traject voortijdig heeft beëindigd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 26 oktober 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is, voor zover hier van belang, bepaald dat de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar verplicht is gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling.

4.2. Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB, voor zover hier van belang, verlaagt het college de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, indien de belanghebbende naar het oordeel van het college de uit de WWB voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Van een verlaging wordt afgezien, indien iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.3. In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de op 23 maart 2005 door de gemeenteraad van Amsterdam vastgestelde Afstemmingsverordening WWB (hierna: Afstemmingsverordening), voor zover van belang, is bepaald dat de bijstand eenmalig met € 200,-- wordt verlaagd wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het College ernstig is tekort geschoten in het meewerken aan een voorziening die in het kader van de WWB wordt aangeboden.

4.4. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Afstemmingsverordening houdt het College bij zijn oordeel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, rekening met de omstandigheden en mogelijkheden van de belanghebbende.

4.5. Artikel 5, eerste lid, van de Afstemmingsverordening bepaalt dat het College de verlaging lager kan vaststellen als de belanghebbende door de afstemming met het bedrag genoemd in artikel 2, eerste lid, onredelijk zwaar wordt getroffen.

4.6. Vaststaat dat appellant medio mei 2006 de werkervaringsplaatsovereenkomst zonder overleg met zijn consulent van Alexander Calder en zijn klantmanager bij de DWI heeft beëindigd en dat het traject bij Alexander Calder op 8 juni 2006 is geëindigd. De Raad kan het standpunt van appellant niet onderschrijven dat het College niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen omdat de consulent van Alexander Calder niet in het bijzijn van appellant is gehoord. De gegevens in de eindrapportage van deze consulent van 8 juni 2006 komen in essentie overeen met de rapportage van de klantmanager van appellant bij de DWI, waarin verslag is gedaan van een telefoongesprek met de consulent van Alexander Calder op 8 juni 2006 over de reden van beëindiging van het traject. Tijdens een gesprek met zijn klantmanager op 18 september 2006 is appellant geïnformeerd over de uitgebrachte eindrapportage. Voor de stelling van appellant dat de consulent van Alexander Calder, in afwijking van de uitgebrachte eindrapportage en de telefonisch verstrekte informatie aan de klantmanager, het volledig met hem eens was dat het traject gewoon is afgerond en dat hij pas na ziekmelding is geïnformeerd over een vacature, heeft appellant geen bewijs aangedragen.

4.7. Tegen de achtergrond van hetgeen in 4.5 is overwogen acht de Raad het, anders dan appellant stelt, niet onzorgvuldig dat – zoals op 18 september 2006 is gerapporteerd – niet is ingegaan op het verzoek van appellant om alsnog het geplande driegesprek tussen hem, de consulent en de klantmanager te houden. De omstandigheid dat, zoals appellant verder heeft aangevoerd, de mentor van [naam bedrijf] niet betrokken is geweest bij de eindrapportage van Alexander Calder doet naar het oordeel van de Raad niet af aan de vaststelling dat appellant zonder overleg met de consulent en de klantmanager de werkzaamheden bij [naam bedrijf] heeft gestaakt.

4.8. Gelet op de betrokkenheid van Alexander Calder bij de overeengekomen werkervaringsplaats, die ook deel uit maakt van het re-integratietraject, had het op de weg van appellant gelegen overleg te voeren met zijn consulent of met zijn klantmanager alvorens deze overeenkomst te beëindigen. Dit overleg had ertoe kunnen leiden dat appellant zijn werkzaamheden gedurende de overeengekomen periode van drie maanden, al dan niet met onderbreking, had kunnen verrichten. De omstandigheid dat de mentor van [naam bedrijf] zich met de beëindiging kon verenigen, is hierbij niet van doorslaggevende betekenis. Zoals overwogen in 4.5 staat voor de Raad vast dat appellant begin juni 2006 geen gebruik heeft gemaakt van de geboden mogelijkheid na de beëindiging van de werkervaringsplaatsovereenkomst het traject voort te zetten en dat zijn opstelling heeft geleid tot de beëindiging van dit traject. Naar het oordeel van de Raad kunnen de financiële problemen van appellant zijn opstelling niet rechtvaardigen, aangezien appellant voor zijn reiskosten van het College een vergoeding kreeg die, zoals hij ter zitting van de rechtbank heeft verklaard, voldoende was.

4.9. De Raad is derhalve met de rechtbank en het College van oordeel dat het re-integratietraject als gevolg van de handelwijze van appellant is beëindigd. Van deze handelwijze kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Hieruit vloeit voort dat het College ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellant overeenkomstig de Afstemmingsverordening te verlagen.

4.10. De hoogte van de verlaging is in overeenstemming met artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening bepaald op € 200,--. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de omstandigheden en mogelijkheden van appellant het College aanleiding moeten geven om met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met de artikelen 4, eerste lid, en 5, eerste lid, van de Afstemmingsverordening de verlaging lager vast te stellen.

4.11. Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en C. van Viegen en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2009.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans

(get. ) M.C.T.M. Sonderegger