Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2510

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2009
Datum publicatie
10-11-2009
Zaaknummer
08-5720 WIA + 08-5721 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Weigering WAJONG-uitkering, omdat geen sprake was van een relevante mate van arbeidsongeschiktheid bij het bereiken van de 18-jarige leeftijd. Met de bij het einde van de wachttijd aanwezige dyslexie, longklachten en allergieën is rekening gehouden. Lesniveau op AVI-niveau 3 à 4. Geschiktheid geduide functies. In de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van huishoudelijk medewerker, samensteller metaalwaren en parkeercontroleur komt lezen niet of nauwelijks voor. 2) Weigering WIA-uitkering, aangezien appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Geen verdergaande beperkingen in verband met dyslexie en PDD-NOS. Bij leesproblemen kan appellante van een hulpmiddel als een “reading pen” gebruik maken. Voldoende geschikte functies. Voor de berekening van het maatmaninkomen is terecht uitgegaan van het laatstverdiende loon. De loonsverhogingen hebben in de CAO geen terugwerkende kracht gekregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/5720 WIA

08/5721 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 26 augustus 2008, 07/3147 en 07/3148 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. Boon, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 28 augustus 2009 heeft mr. Boon een ongedateerd Intakeverslag Psychologie ingebracht van het Revalidatiecentrum Blixembosch en een rapportage van 29 augustus 2008 van psycholoog J. Vermeulen-Nuijten en neuropsycholoog/psychofysioloog/GZ-psycholoog P.E.H. van Nunen, verbonden aan het Eindhovens Psychologisch Instituut.

Het Uwv heeft op deze stukken gereageerd met inzending van een rapportage van zijn bezwaarverzekeringsarts J.P.M. Joosten van 15 september 2009.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2009. Voor appellante verscheen mr. Boon. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. C.L. Schuren.

II. OVERWEGINGEN

1. Het beroep richt zich tegen twee besluiten van 10 augustus 2007. Bij het eerste besluit van die datum heeft het Uwv het besluit gehandhaafd dat aan appellante geen uitkering wordt toegekend ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) omdat geen sprake was van een relevante mate van arbeidsongeschiktheid van appellante bij het bereiken van de 18-jarige leeftijd op [datum] 1995. Bij het tweede besluit van 10 augustus 2007 heeft het Uwv het besluit gehandhaafd dat voor appellante na vervulling van de wettelijke wachttijd met ingang van 19 september 2006 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Voor de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

2. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen reden is te twijfelen aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts in de Functionele Mogelijkheden Lijsten verwoorde beperkingen van appellante per 31 januari 1995 en 19 september 2006. Appellante kan naar het oordeel van de rechtbank in staat worden geacht de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te vervullen. Het Uwv heeft op goede gronden – daarbij in het kader van de Wet WIA uitgaande van een maatmaninkomen van € 12,30 per uur – vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) minder is dan 25% en in de zin van de Wet WIA minder dan 35%, zodat de gevraagde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen terecht zijn geweigerd.

3. In hoger beroep heeft appellante onder verwijzing naar de stellingen die zij in bezwaar en beroep heeft betrokken zowel de medische als de arbeidskundige kant van de schatting opnieuw ter discussie gesteld.

4. De Raad overweegt het volgende.

Wajong

4.1.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de medische grondslag van de weigering van een Wajong-uitkering aan appellante. Ook de Raad ziet in de beschikbare medische informatie geen aanknopingspunten om meer beperkingen aan te nemen dan de bezwaarverzekeringsarts heeft verwoord in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 8 augustus 2007. Met de bij het einde van de wachttijd aanwezige dyslexie, longklachten en allergieën is rekening gehouden.

4.1.2. Appellante heeft erop gewezen dat bij onderzoeken door het Eindhovens Psychologisch Instituut in juli en augustus 2008 een stoornis in het autistische spectrum (PDD-NOS) is gediagnosticeerd. Appellante zou de vaardigheden missen voor een adequate omgang met andere mensen. De bezwaarverzekeringsarts Joosten heeft in zijn rapportage van 15 september 2009 gesteld dat de in de rapportage van het Eindhovens Psychologisch Instituut beschreven problemen die appellante in de sociale omgang zou ondervinden, geen reden vormen voor aanpassing van de FML. Van een valide onderzoek is naar zijn oordeel geen sprake geweest omdat uit de rapportage onder andere blijkt dat appellante opdrachten heeft geweigerd en vragen extreem heeft beantwoord.

4.1.3. De Raad ziet in de rapportage van het Eindhovens Psychologisch Instituut onvoldoende aanwijzingen dat de FML de mogelijkheden van appellante op 31 januari 1995 om persoonlijk en sociaal te functioneren niet juist weergeeft. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellante in haar werk als kapster van juli 1995 tot haar uitval in september 2004 contacten met klanten en collega’s heeft gehad en daarin niet tekortgeschoten lijkt te zijn. Naar haar eigen zeggen is de reden dat zij werkzaam is geweest op basis van vele tijdelijke arbeidsovereenkomsten, die niet werden verlengd, uitsluitend gelegen in de dyslexie die haar belemmerde om goed met de computer om te gaan en afspraken te registreren. Van enige verdenking van het bestaan van een stoornis in het autistische spectrum bij appellante is rond de leeftijd van 17 en 18 jaar geen sprake geweest, en dit terwijl appellante, zoals blijkt uit de rapportage van Blixembosch, in verband met haar dyslexie tijdens haar schooltijd en kappersopleiding uitgebreid – ook psychiatrisch – is onderzocht en door verschillende instellingen is begeleid.

4.1.4. Niet in geschil is dat appellante een ernstige vorm van dyslexie heeft. Partijen verschillen wel van mening over de vraag welk niveau van lezen appellante heeft bereikt. De arts voor arbeid en gezondheid M. van Heugten-Hoogendoorn heeft blijkens haar rapportage van 5 juli 2006 aan de hand van aan haar door appellante getoonde informatie van scholen en een onderwijsbegeleidingsdienst vastgesteld dat appelante kan lezen op het niveau “aanvankelijk lezen”. In de FML heeft Van Heugten de beperking voor lezen voorzien van de toelichting “kan alleen aanvankelijk lezen, dus geen schriftelijke instructie/administratieve handelingen”. De Raad heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de inschatting van dit leesniveau. Ook uit de rapportage van Blixembosch blijkt dat appellante in enige mate kan lezen. Met een training bij een schoolbegeleidingsdienst is bereikt dat zij in juni 1988 leest op het AVI-niveau 3 à 4. In december 1990 heeft zij met een training bij het Leer Advies Bureau remedial training voor leeszwakke kinderen wat betreft lezen een didactische leeftijd bereikt van 17 maanden.

4.1.5. In de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van huishoudelijk medewerker, samensteller metaalwaren en parkeercontroleur komt lezen niet of nauwelijks voor. In de arbeidskundige rapportage van 5 oktober 2006 is naar het oordeel van de Raad genoegzaam toegelicht dat de functies voor appellante geschikt zijn. De bezwaararbeidsdeskundige C.H.J. de Vries-van Hulten heeft in haar rapportage van 9 augustus 2007 uiteengezet dat hulpmiddelen bestaan, zoals een “reading pen” die het mogelijk maken dat woorden en korte zinnen worden voorgelezen. Van appellante mag verwacht worden dat zij, indien nodig, in een werksituatie van een dergelijke apparaat gebruik maakt. Dat betekent dat de Raad ook het oordeel van de rechtbank over de arbeidskundige kant van de schatting deelt.

WIA

4.2.1. Naar het oordeel van de Raad is met de aanpassing van de FML op 21 november 2007 door de bezwaarverzekeringsarts een volledig beeld verkregen van de mogelijkheden en beperkingen van appellante bij het bereiken van het einde van de wettelijke wachttijd ingevolge de Wet WIA op 19 september 2006. Alle beperkingen die zijn opgenomen in de FML van 8 augustus 2006 zijn overgenomen in de FML van 21 november 2007. Daaraan zijn toegevoegd beperkingen in verband met de depressieve klachten van appellante en in verband met de pijnklachten die zij heeft overgehouden aan een auto-ongeval in juli 2004. De Raad ziet in de beschikbare medische gegevens geen aanwijzigen dat die beperkingen niet juist zijn ingeschat. Ten aanzien van de door appellante gestelde verdergaande beperkingen in verband met dyslexie en PDD-NOS komt de Raad bij de beoordeling van het WIA-besluit niet tot een ander oordeel dan met betrekking tot het Wajong-besluit is neergelegd in de overwegingen 4.1.2 tot en met 4.1.4.

4.2.2. De schatting steunt op de functies van wikkelaar/samensteller elektronische apparatuur, huishoudelijke hulp en inpakker. Appellante heeft gesteld dat de functie van wikkelaar/samensteller elektronische apparatuur (Sbc-code 267050) niet voor haar geschikt is, omdat in de Arbeidsmogelijkhedenlijst bij “opleiding” staat vermeld dat “Nederlands spreken en lezen” nodig is. Ter zitting van de Raad is vastgesteld dat uit de beschrijving van de inhoud van de functie van monteuse (vallend onder de Sbc-code van wikkelaar/ samensteller elektronische apparatuur) niet blijkt dat bij de uitoefening ervan lezen nodig is. Ook de bezwaararbeidsdeskundige De Vries gaat in haar rapportage van 9 augustus 2007 uit van niet substantieel lezen waarvoor zo nodig van een hulpmiddel als een “reading pen” gebruik kan worden gemaakt. Het vereiste van kunnen lezen lijkt te zien op het volgen van de interne opleiding op het gebied van componentenkennis en solderen. De Vries heeft gesteld dat een werkgever bij het aanbieden van een interne, op de uitvoeringspraktijk gerichte, opleiding rekening kan houden met de wijze waarop de materie aan een dyslectische werknemer wordt aangeboden. Het komt de Raad aannemelijk voor dat appellante in het kader van die opleiding, voor zover mondelinge kennisoverdracht niet volstaat, teksten tot zich kan nemen door gebruik te maken van een “reading pen” dan wel zich kan laten voorlezen, op welke wijze zij er ook in is geslaagd het kappersdiploma te behalen. De Raad stelt verder vast dat ook bij buiten beschouwing laten van de functie van wikkelaar/samensteller elektronische apparatuur voldoende functies, namelijk drie, resteren die de schatting kunnen dragen en dat een vergelijking van het maatmaninkomen met het mediane loon van deze drie functies eveneens leidt tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35%.

4.2.3. Appellante heeft betoogd dat in het feit dat de CAO-lonen na een aantal jaren van stilstand met ingang van 1 maart 2008 en 1 januari 2009 met telkens 4 % zijn verhoogd aanleiding moet worden gezien een deel van die procentuele verhogingen toe te rekenen aan jaren waarin de CAO-lonen “bevroren” zijn geweest, zodat het maatmaninkomen uitkomt op een hoger bedrag dan € 12,30 per uur. Nog daargelaten dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de CAO voor het Kappersbedrijf op haar arbeidsovereenkomst van toepassing was, slaagt deze beroepsgrond niet. Het Uwv is voor de berekening van het maatmaninkomen van appellante terecht uitgegaan van het laatstverdiende loon. Het staat vast dat appellante dit loon ook verdiend zou hebben op 20 oktober 2006 als zij niet arbeidsongeschikt zou zijn geweest. De loonsverhogingen hebben in de CAO geen terugwerkende kracht gekregen.

4.2.4. Het vorenstaande leidt ertoe dat de Raad van oordeel is dat ook het besluit van het Uwv dat voor appellante geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA is ontstaan op een toereikende medische en arbeidskundige grondslag berust.

5. Dat brengt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM