Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2505

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2009
Datum publicatie
09-11-2009
Zaaknummer
07-6057 AWBZ
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning tegemoetkoming onderhoudskostenp grond van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen. Ingevolge artikel 6, derde lid, van de TOG, kan de tegemoetkoming niet eerder ingaan dan een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kwartaal tijdens welk de aanvraag om een tegemoetkoming werd ingediend. De SVB kan in bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken. De Raad is van oordeel dat op grond van de namens betrokkene aangevoerde omstandigheden geen bijzonder geval kan worden aangenomen. Met appellant is de Raad van oordeel dat uit de door de rechtbank aangehaalde - bijkomende - omstandigheden niet kan worden afgeleid dat betrokkene niet in staat is geweest tijdig een aanvraag in te dienen. Juist gelet op de ondersteuning door MEE en het feit dat zij en haar echtgenoot geruime tijd in Nederland verbleven en werkzaamheden hebben verricht c.q. verrichten kon betrokkene redelijkerwijs op de hoogte zijn van de voor haar bestaande mogelijkheid een tegemoetkoming aan te vragen. De bij brief van 21 mei 2007 door MEE gedane verklaring dat zij in de periode 2002 - 2004 geen aanleiding hadden betrokkene op de hoogte te stellen van de TOG maakt dit niet anders, nu de begeleiding en beoordeling door MEE voor risico komt van betrokkene. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6057 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, gevestigd te Amstelveen (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 24 september 2007, 06/6670 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellant

en

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

Datum uitspraak: 9 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. S. Ocak een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2009. Appellant is met bericht niet verschenen. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vader], vader van appellant.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene heeft op grond van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 (Stcrt. 1999/249; hierna: TOG) een tegemoetkoming aangevraagd in de onderhoudskosten van haar zoon, [naam zoon], geboren in 1993. Appellant heeft deze aanvraag ontvangen op 12 oktober 2005.

1.2. Appellant heeft betrokkene bij besluit van 24 januari 2006 met ingang van het eerste kwartaal van 2005 een tegemoetkoming toegekend van € 199,28 per kwartaal.

1.3. Bij besluit van 30 juni 2006 heeft appellant het namens betrokkene gemaakte bezwaar tegen het besluit van 24 januari 2006 gedeeltelijk gegrond verklaard. Appellant heeft betrokkene in aanmerking gebracht voor een tegemoetkoming met ingang van 1 oktober 2004. Appellant acht het aannemelijk dat de zoon van betrokkene niet alleen ten tijde van de aanvraag maar ook al op 1 oktober 2004, een jaar voorafgaand aan de aanvraag, aan de voorwaarden van de TOG voldoet. Appellant stelt zich op het standpunt dat ingevolge de TOG de tegemoetkoming, behoudens een bijzonder geval waarin bovendien sprake is van niet te accepteren hardheid, niet eerder kan ingaan dan één jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kwartaal waarin de aanvraag is ingediend. Aangegeven is - onder meer - dat onbekendheid met de wettelijke voorschriften of een fout van de belangenbehartiger niet als een bijzonder geval wordt beschouwd. Van een bijzonder geval op grond waarvan de aanvraag eerder kan ingaan is in casu niet gebleken. Daarbij heeft appellant gewezen op de ruime publiciteit die aan de invoering van de TOG in 2000 is gegeven, waarbij ook de instellingen die met kinderen te maken hebben die voor de TOG in aanmerking zouden kunnen komen, uitvoerig geïnformeerd zijn. Voorts heeft appellant nog aangegeven dat betrokkene en haar echtgenoot geruime tijd in Nederland verblijven, in Nederland hebben gewerkt c.q. nog werkzaam zijn en dat zij sinds 2,5 jaar begeleiding ontvangen van MEE Noordwest Holland (hierna: MEE).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met een bepaling omtrent het griffierecht, het beroep tegen het besluit van 30 juni 2006 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft overwogen dat onbekendheid met de TOG niet zonder meer leidt tot het aannemen van een bijzonder geval. In de situatie van betrokkene heeft de rechtbank evenwel aanleiding gezien bijkomende omstandigheden aan te nemen op grond waarvan zij niet op de hoogte kon zijn van haar wettelijke rechten. De rechtbank heeft daartoe gewezen op het feit dat betrokkene in verband met de verzorging van haar zoon een geïsoleerd bestaan leidt, nu zij van buitenlandse afkomst is, de Nederlandse taal slechts gebrekkig beheerst en aanleiding heeft gezien in verband met de verzorging van haar zoon haar baan op te zeggen. De rechtbank heeft met name betekenis toegekend aan de omstandigheid dat betrokkene al jaren wordt begeleid door MEE en dat zij door deze instelling, die juist in het leven is geroepen om mensen te ondersteunen die moeten leven met een beperking, niet tijdig op de mogelijkheid van het verzoeken van financiële ondersteuning is geattendeerd.

3.1. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

3.2. Namens betrokkene is gemotiveerd aangegeven dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking dient te komen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 6, derde lid, van de TOG, kan de tegemoetkoming niet eerder ingaan dan een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kwartaal tijdens welk de aanvraag om een tegemoetkoming werd ingediend. De SVB kan in bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.

4.2. De Raad stelt vast dat tussen partijen uitsluitend in geschil is of sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan de uitkering eerder had moeten ingaan dan een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kwartaal waarin de aanvraag is gedaan, in casu dus eerder dan 1 oktober 2004.

4.3. De Raad is van oordeel dat op grond van de namens betrokkene aangevoerde omstandigheden geen bijzonder geval kan worden aangenomen. Met appellant is de Raad van oordeel dat uit de door de rechtbank aangehaalde - bijkomende - omstandigheden niet kan worden afgeleid dat betrokkene niet in staat is geweest tijdig een aanvraag in te dienen. Juist gelet op de ondersteuning door MEE en het feit dat zij en haar echtgenoot geruime tijd in Nederland verbleven en werkzaamheden hebben verricht c.q. verrichten kon betrokkene redelijkerwijs op de hoogte zijn van de voor haar bestaande mogelijkheid een tegemoetkoming aan te vragen. De bij brief van 21 mei 2007 door MEE gedane verklaring dat zij in de periode 2002 - 2004 geen aanleiding hadden betrokkene op de hoogte te stellen van de TOG maakt dit niet anders, nu de begeleiding en beoordeling door MEE voor risico komt van betrokkene.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 30 juni 2006 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema als voorzitter en M.I. ‘t Hooft en J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2009.

(get.) H.C.P. Venema.

(get.) J. Waasdorp.

IJ