Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2504

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
10-11-2009
Zaaknummer
08-7382 WMO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een vervoersvoorziening in de vorm van een taxikostenvergoeding, omdat het collectief vervoer, Vervoer op Maat, een doelmatige voorziening is. Compensatieplicht. Individuele voorziening. Primaat collectief vervoer. Persoonsgebonden budget. Het College heeft terecht geconcludeerd dat niet gebleken is van medische redenen op grond waarvan appellant bij het zich lokaal verplaatsen geen gebruik zou kunnen maken van Vervoer op Maat. Het College heeft echter bij de beoordeling van de vraag of Vervoer op Maat de beperkingen van appellant die hij ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie bij het zich lokaal verplaatsen compenseert, niet in kaart gebracht wat de lokale vervoersbehoefte van appellant is. Vernietiging bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010, 12

Uitspraak

08/7382 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 december 2008, 08/1765 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 28 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2009. Voor appellant is verschenen mr. Strijbosch. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.R. van der Heijden-Wijnen, B. Kamp en B. van Yperen, allen werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is onder meer bekend met COPD, een hoge bloeddruk, diabetes mellitus type II met neuropathie en hyperlipidemie. In verband met de beperkingen die appellant als gevolg van zijn aandoeningen in zijn verplaatsingen ondervindt heeft hij op 3 september 2007 bij het College in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) een aanvraag om een vervoersvoorziening in de vorm van een taxikostenvergoeding ingediend. Bij deze aanvraag heeft appellant onder meer vermeld dat hij in het bezit is van een auto.

1.2. Naar aanleiding van deze aanvraag is vanwege het College medisch onderzoek verricht. Blijkens de onderzoeksbevindingen heeft appellant aanvallen als gevolg van lage bloedsuikerspiegels. Daarnaast heeft appellant klachten van pijn in de keel in verband met zijn hartaandoening. Omdat appellant onrust ervaart bij de aanvallen, hij dan een gebrek aan controle heeft en bovendien het gevoel dat hij anderen iets wil aandoen, wil hij met zijn eigen auto rijden. Als er problemen zijn, zoekt hij een parkeerplek op waar hij kan bijkomen en waar hij dan zijn medicijnen kan innemen of wat voedsel kan gebruiken. Op grond van deze bevindingen is geconcludeerd dat de medisch geobjectiveerde aanvallen van appellant als zodanig geen belemmering vormen om met het collectief vervoer “Vervoer op Maat” te kunnen reizen. Het probleem van de heftigheid waarmee appellant zou kunnen reageren naar vreemden is niet medisch geanalyseerd en/of behandeld. Er zijn volgens de adviseur van het College geen gegevens beschikbaar over een geobjectiveerde diagnose en/of eventuele onbehandelbaarheid waardoor reizen met Vervoer op Maat niet mogelijk zou zijn.

1.3. Bij besluit van 28 februari 2008 heeft het College de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat er voor hem geen medische redenen zijn waardoor hij niet in staat is om met Vervoer op Maat te reizen. Appellant komt hierdoor niet in aanmerking voor een tegemoetkoming in de kosten van vervoer op grond van de Wmo. Vervoer op Maat is volgens het College een doelmatige voorziening voor appellant.

1.4. Bij besluit van 18 april 2008 heeft het College het tegen het besluit van 28 februari 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het College heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat het primaat inzake vervoersvoorzieningen ingevolge een vaste gedragslijn bij Vervoer op Maat ligt en dat men slechts voor andere vervoersvoorzieningen in aanmerking komt indien Vervoer op Maat niet adequaat dan wel niet doelmatig blijkt te zijn. Appellant wordt in staat geacht om met Vervoer op Maat al zijn bestemmingen te bereiken. Met het verstrekken van Vervoer op Maat is appellant voldoende gecompenseerd voor zijn belemmeringen. Voor familiebezoek buiten de gemeente Rotterdam kan appellant gebruik maken van Valys.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

18 april 2008 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is appellant er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij niet in staat kan worden geacht met het collectief vervoer te reizen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Wet- en regelgeving

4.1.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wmo wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder: “ (…)

g. maatschappelijke ondersteuning: (…)

4°. het ondersteunen van mantelzorgers daar onder begrepen steun bij het vinden van adequate oplossingen indien zij hun taken tijdelijk niet kunnen waarnemen, alsmede het ondersteunen van vrijwilligers;

5°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem;

6°. het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer; (…).”

4.1.2. Artikel 3, eerste lid, van de Wmo bepaalt dat de gemeenteraad een of meer plannen vaststelt, die richting geven aan de door de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders te nemen beslissingen betreffende maatschappelijke ondersteuning.

Ingevolge het derde lid van deze bepaling bevat het plan de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning.

4.1.3. Artikel 4, eerste lid, van de Wmo bepaalt dat ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4°, 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, het college van burgemeester en wethouders voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:

a. een huishouden te voeren;

b. zich te verplaatsen in en om de woning;

c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;

d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

4.1.4. Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wmo houdt het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien. Blijkens de parlementaire geschiedenis is in de toevoeging van deze laatste zinsnede het draagkrachtprincipe verankerd (Tweede Kamer 2005 - 2006, 30 131, nr. 98, p 58-59).

4.1.5. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

4.1.6. Artikel 6 van de Wmo bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze biedt tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar persoonsgebonden budget, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.

4.1.7. Artikel 26, eerste lid, van de Wmo luidt:

`1.De motivering van een beschikking op een aanvraag om een individuele voorziening vermeldt op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.`

4.2.1. Aan artikel 5, eerste lid, van de Wmo is in de gemeente Rotterdam uitvoering gegeven door vaststelling van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Rotterdam (hierna: Verordening).

4.2.2. Artikel 1.1 van de Verordening bepaalt dat in deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

“(…)

c. persoon: persoon met een beperking of een chronisch psychisch probleem of psychosociaal probleem die ten gevolg hiervan belemmeringen ondervindt in zijn zelfredzaamheid of zijn maatschappelijke participatie;

(…)

j. Vervoer op Maat: vervoersysteem van de gemeente Rotterdam voor personen met een beperking en voor ouderen;

(…).”

4.2.3. Ingevolge artikel 1.4, eerste lid, van de Verordening kan een persoon aanspraak maken op een individuele voorziening op grond van deze verordening, voor zover deze langdurig noodzakelijk is om:

“(…)

b. zich te verplaatsen in en buiten de woning over een afstand van 1000 meter;

c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;

(…).”

4.2.4. Artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening bepaalt dat de voorzieningen, bedoeld in artikel 1.4, die kunnen worden verstrekt op grond van deze verordening betrekking hebben op vervoersvoorzieningen. Ingevolge artikel 1.5, tweede lid, van de Verordening verstrekt het College de voorziening die naar objectieve maatstaven gemeten voor de persoon het meest doelmatig is.

4.2.5. Ingevolge artikel 1.6, vierde lid, aanhef en onder a, van de Verordening heeft een persoon niet de mogelijkheid te kiezen voor een persoonsgebonden budget, als er daarvoor overwegende bezwaren zijn, als bedoeld in artikel 6 van de Wmo. Daarvan is in ieder geval sprake als de voorziening een vervoerspas voor Vervoer op Maat betreft.

4.2.6. Artikel 2.12, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat een persoon aanspraak kan maken op een vervoersvoorziening, als bedoeld in deze paragraaf, als er sprake is van een individuele vervoersbehoefte en hij als gevolg van zijn beperking belemmeringen ondervindt om:

a. gebruik te maken van het openbaar vervoer; of

b. het openbaar vervoer te bereiken.

4.2.7. Ingevolge artikel 2.13 van de Verordening kan de door het college te verstrekken vervoersvoorziening betrekking hebben op:

“(…)

b. vervoer door Vervoer op Maat;

(…)

d. een auto;

(…).”

4.2.8. Artikel 2.17, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat de persoon die geïndiceerd is voor Vervoer op Maat en daarvan geen gebruik wenst te maken, aanspraak kan maken op een financiële tegemoetkoming voor het vervoer van alledag.

a.De tegemoetkoming kan gebruikt worden voor:

b.de aanpassing van de eigen auto;

c.de aanschaf van een buitenwagen.

4.2.9. Ingevolge artikel 4.1 van de Verordening kan het College in bijzondere gevallen ten gunste van de persoon afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Compensatieplicht

4.3. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 10 december 2008 (LJN BG6612), onder r.o. 4.2.2, heeft geoordeeld verplicht artikel 4 van de Wmo het College aan de in dat artikel genoemde personen voorzieningen te bieden ter compensatie van hun beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie teneinde hen in staat te stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Dit artikel brengt mee dat de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie van deze personen de doeleinden zijn waarop de compensatieplicht van het College gericht moet zijn. Het is - gelet op de artikelen 3 en

5 van de Wmo - in beginsel aan de gemeenteraad en - gelet op artikel 4 van de Wmo - aan het College om te bepalen op welke wijze invulling wordt gegeven aan de in artikel 4 van de Wmo bedoelde compensatieplicht. De rechter dient de keuze(n) die de gemeenteraad en het College daarbij hebben gemaakt in beginsel te respecteren, onverminderd de rechtsplicht van het College om in elk concreet geval een voorziening te treffen die zich kwalificeert als compensatie van beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Artikel 4 van de Wmo legt het College, wat dat aangaat, de plicht op om een resultaat te bereiken dat als compensatie mag gelden en dat een dergelijk besluit in het individuele geval maatwerk dient te zijn. Onder omstandigheden kan dit leiden tot het oordeel dat algemene keuzen die de gemeenteraad en het College bij de uitvoering van de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de Wmo hebben gemaakt in het concrete, individuele geval niet kunnen worden toegepast wegens strijd met de in artikel 4 van de Wmo bedoelde compensatieplicht.

4.4. Voorts heeft de Raad in voormelde uitspraak van 10 december 2008, onder r.o. 4.2.4, overwogen dat uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voortvloeit dat het College, zijnde het bestuursorgaan dat met de uitvoering van artikel 4 van de Wmo is belast, ervoor zorg dient te dragen dat een zorgvuldig onderzoek wordt ingesteld naar de voor die uitvoering relevante feiten en omstandigheden. Bij de beoordeling van een aanvraag om een voorziening te verstrekken, als bedoeld in artikel 4 van de Wmo, brengt dit mee dat het de taak van het College is om de beperkingen van de aanvrager in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, voor zover het de in dat artikel genoemde gebieden betreft, zijn persoonskenmerken en zijn behoeften, alsmede zijn capaciteit om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien te inventariseren. Daarbij is het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb aan de aanvrager om het College de gegevens en bescheiden te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Individuele voorziening

4.5. Ter invulling van de in artikel 4 van de Wmo vervatte compensatieplicht om een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, onder 4, 5 en 6, van de Wmo in staat te stellen zich lokaal per vervoermiddel te verplaatsen, is in de gemeente Rotterdam onder de naam Vervoer op Maat een systeem van collectief vervoer in het leven geroepen. Dit collectief vervoer is onder meer bestemd voor personen van wie na indicatie is vastgesteld dat zij als gevolg van beperkingen belemmeringen ondervinden bij het gebruik of het kunnen bereiken van het openbaar vervoer.

4.6. De Raad ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of het collectief vervoer al dan niet een individuele voorziening als bedoeld in de artikelen 5 en 6 van de Wmo is. Ter beantwoording van die vraag is naar het oordeel van de Raad van belang of sprake is van een in beginsel voor een ieder toegankelijke voorziening op basis van een beperkte toelatingsbeoordeling aan de hand van een beperkt aantal geformuleerde maatstaven. Voorts is van belang of bij die beoordeling acht wordt geslagen op de specifieke (persoons)kenmerken van de individuele aanvrager en of de voorziening naar haar aard is afgestemd op de kenmerken van de individuele aanvrager.

4.7. De Raad is van oordeel dat collectief vervoer in de vorm van Vervoer op Maat aangemerkt moet worden als een individuele voorziening nu, alvorens toegelaten te worden tot deelname aan dit vervoer, blijkens de gedingstukken een op het individu gericht onderzoek dient plaats te vinden naar de vraag of de persoon als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, onder 5 en 6, van de Wmo gecompenseerd moet worden in de beperkingen die hij ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie op het gebied van het zich lokaal verplaatsen. Voor personen die jonger zijn dan 75 jaar, zoals appellant, is geen sprake van een beperkte toelatingsbeoordeling aan de hand van een beperkt aantal algemeen geformuleerde maatstaven, maar wordt beoordeeld of de individuele belanghebbende op grond van zijn beperkingen geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer zodat hij langdurig is aangewezen op een andere voorziening voor zijn vervoer. De Raad stelt vast dat deze beoordeling naar haar aard is afgestemd op specifieke, met de persoon van de individuele belanghebbende samenhangende kenmerken, zodat niet kan worden gezegd dat een systeem van collectief vervoer als Vervoer op Maat geen individuele voorziening als bedoeld in de artikelen 5 en 6 van de Wmo is.

Primaat collectief vervoer

4.8. De Raad stelt verder op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting vast dat het College de vaste gedragslijn hanteert dat Vervoer op Maat het primaat heeft boven andere individuele vervoersvoorzieningen. Hierin ligt besloten dat ingevolge deze gedragslijn wordt onderzocht of Vervoer op Maat de beperkingen die de persoon als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, onder 5 en 6, van de Wmo in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie ondervindt, voor zover dat ziet op het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel, compenseert als bedoeld artikel 4, eerste lid, van de Wmo en dat de belanghebbende indien dat het geval is in beginsel niet in aanmerking komt voor een andere vervoersvoorziening dan collectief vervoer. De Raad stelt vast dat deze gedragingen niet op één lijn kan worden gesteld met het in artikel 1.5, tweede lid, van de Verordening besloten liggende voorschrift dat het College de voorziening verstrekt die naar objectieve maatstaven gemeten, voor de persoon het meest doelmatig is. Nu de ter zitting toegelichte gedragslijn van artikel 1.5, tweede lid, van de Verordening een minder vergaande compensatieplicht impliceert, ziet de Raad aanleiding te onderzoeken of deze gedragslijn niet in strijd komt met de Wmo, voordat wordt toegekomen aan de Verordening welke betekenis aan artikel 1.5., tweede lid van de Verordening moet worden toegekend.

4.9. De Raad is van oordeel dat een aldus opgevat primaat van een systeem van collectief vervoer als zodanig niet in strijd komt met de artikelen 4 en 5 van de Wmo. Dit laat onverlet dat de vraag of collectief vervoer voor de persoon van de belanghebbende een voorziening is die voldoet aan de in artikel 4, eerste lid, van de Wmo bedoelde compensatieplicht, slechts beantwoord kan worden op grond van een onderzoek naar niet alleen de beperkingen, maar ook de persoonskenmerken en de vervoersbehoeften van de individuele belanghebbende. Het College zal die beperkingen gezien artikel 3:2 van de Awb in verbinding met artikel 4, tweede lid, en artikel 26, eerste lid, van de Wmo moeten inventariseren en daarbij moeten nagaan hoe de vervoersmogelijkheden van het collectief vervoer zich verhouden tot de kenmerken van de aanvrager, zijn beperkingen en zijn vervoersbehoeften, een en ander tegen de achtergrond van de vraag welke voorziening in het concrete individuele geval leidt tot het behouden of het bevorderen van de zelfredzaamheid van de belanghebbende en zijn of haar deelname aan het maatschappelijke verkeer. Het College zal daarbij voorts rekening moeten houden met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in (vervoers)maatregelen te voorzien.

Persoonsgebonden budget

4.10. Indien het College op grond van voormeld onderzoek concludeert dat met het collectief vervoer in het individuele geval voldaan is aan de in artikel 4, eerste lid, van de Wmo neergelegde compensatieplicht en de aanvrager toelaat tot deelname aan het collectief vervoer, dient het College ingevolge artikel 6 van de Wmo die aanvrager de keuze te bieden tussen het ontvangen van die voorziening in natura en het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar persoonsgebonden budget, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wmo blijkt dat bij de uitzondering “overwegende bezwaren” aanvankelijk alleen gedacht is aan persoonsgebonden bezwaren, zoals de verstrekking van een persoonsgebonden budget aan een persoon die daarmee niet om zou kunnen gaan, bijvoorbeeld een drugsverslaafde (Tweede Kamer 2005-2006, 30 131, nr. 100 en Tweede Kamer 2005-2006, 30 131, nr. 97 p. 2). Uit de verdere behandeling van het wetsvoorstel blijkt dat overwegende bezwaren - uitsluitend in geval van een systeem van collectief vervoer - ook algemeen van aard kunnen zijn en kunnen berusten op doelmatigheidsoverwegingen. Daaronder kan worden begrepen de overweging dat een veelvuldig beroep op persoonsgebonden budgetten het instandhouden van een systeem van collectief vervoer kan ondergraven (Handelingen Eerste Kamer p. 34-1654).

4.11. Ingevolge artikel 1.6, vierde lid, aanhef en onder a, van de Verordening is in ieder geval sprake van overwegende bezwaren als bedoeld in artikel 6 van de Wmo indien de voorziening een vervoerspas voor Vervoer op Maat betreft. Deze overwegende bezwaren bestaan volgens het College hieruit dat verwacht wordt dat een substantieel deel van de pashouders dat nu niet of nauwelijks gebruik maakt van Vervoer op Maat (ongeveer 25 tot 30% van de pashouders), gebruik zal gaan maken van een persoonsgebonden budget, indien sprake is van een keuzemogelijkheid tussen Vervoer op Maat en een persoonsgebonden budget. Dit leidt volgens het College tot een aanzienlijke stijging van de uitgaven doordat de hoogte van het persoonsgebonden budget bij veel klanten hoger zal zijn dan de uitgaven die nu voor hen gemaakt worden bij Vervoer op Maat. Daarnaast zullen de uitvoeringskosten voor de gemeente toenemen, onder meer vanwege administratiekosten en het uitoefenen van controle op de besteding van het persoonsgebonden budget. Verder is thans sprake van een hoge combinatiegraad in het Rotterdamse vervoergebied die van invloed is op de kosten van het vervoer en daarmee ook op de tarieven van de vervoerder. Indien een substantieel deel van de huidige pashouders overstapt naar een persoonsgebonden budget neemt de combinatiegraad binnen Vervoer op Maat af, wat tot gemiddeld hogere uitgaven voor de vervoerder en voor de gemeente leidt.

4.12. De Raad is, gelet op de parlementaire geschiedenis van de Wmo, van oordeel dat de onder 4.11 weergegeven feiten en omstandigheden, indien het om de instandhouding van een systeem van collectief vervoer gaat, aangemerkt kunnen worden als overwegende bezwaren in de zin van artikel 6 van de Wmo. Dit betekent dat het College in beginsel niet gehouden is om, indien met toekenning van deelname aan Vervoer op Maat voldaan is aan de compensatieplicht, aan de persoon in kwestie de keuzemogelijkheid te bieden tussen een vervoerspas voor Vervoer op Maat en een persoonsgebonden budget.

4.13. Gelet op deze overwegende bezwaren is de Raad voorts van oordeel dat de in de Verordening neergelegde categorale uitsluiting van de keuzemogelijkheid tussen een vervoerspas voor Vervoer op Maat en een persoonsgebonden budget niet in strijd is met artikel 6 van de Wmo. De Raad wijst er in dat verband op dat het College ingevolge artikel 4.1 van de Verordening bevoegd is om in voorkomende gevallen van de bepalingen van de Verordening, waaronder artikel 1.6, vierde lid, aanhef en onder a, af te wijken.

Beoordeling van het individuele geval

5.1. In het onderhavige geval is de Raad van oordeel dat het College terecht heeft geconcludeerd dat niet gebleken is van medische redenen op grond waarvan appellant bij het zich lokaal verplaatsen geen gebruik zou kunnen maken van Vervoer op Maat. De door appellant naar voren gebrachte problematiek met betrekking tot zijn manier van reageren naar vreemden toe wanneer hij last krijgt van aanvallen, leidt niet tot een ander oordeel, nu een medisch objectieve onderbouwing voor deze problematiek ontbreekt en appellant zich voor deze problematiek niet heeft laten behandelen.

5.2. Niettemin kan het besluit van 18 april 2008 niet in stand blijven. Hiertoe overweegt de Raad dat het College bij de beoordeling van de vraag of Vervoer op Maat de beperkingen van appellant die hij ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie bij het zich lokaal verplaatsen compenseert, niet in kaart heeft gebracht wat de lokale vervoersbehoefte van appellant is. Zo is niet geïnventariseerd welke vervoersbewegingen appellant maakt of wenst te maken om maatschappelijk te (kunnen) participeren. Evenmin is rekening gehouden met de specifieke (persoons)kenmerken van appellant, waaronder het feit dat appellant een - zeer - korte loopafstand heeft en hij in het bezit is van een auto waarmee hij zich wenst te verplaatsen. De Raad is dan ook van oordeel dat het College onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de relevante feiten en omstandigheden van het concrete individuele geval van appellant zodat het besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

5.3. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het besluit van 18 april 2008 gegrond verklaren en het College opdragen om een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 28 februari 2008 te nemen. Voorafgaand aan het nemen van dit nieuwe besluit op bezwaar zal het College onderzoek moeten verrichten waarin onder meer aandacht wordt geschonken aan de onder 5.2 vermelde aandachtspunten. Op grond van de onderzoeksbevindingen zal vervolgens vastgesteld moeten worden met welke individuele voorziening(en) appellant - ook over de zeer korte afstand - gecompenseerd is in de beperkingen die hij ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie bij het zich lokaal verplaatsen. Nu appellant in het bezit is van een eigen auto zou voormeld onderzoek er toe kunnen leiden dat het College, met voorbijgaan aan het bepaalde in de Verordening - de Raad verwijst in dat verband naar zijn onder 4.3 gegeven slotoverweging - tot de conclusie komt dat appellant in aanmerking moet komen voor een financiële tegemoetkoming in de (variabele) kosten van het gebruik van een eigen auto. Hierbij zou ook de mogelijkheid van een persoonsgebonden budget voor vervoer over de (zeer) korte afstand betrokken kunnen worden. Voorts dient het College ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Wmo rekening te houden met de vraag of, en zo ja in hoeverre bij appellant sprake is van financiële draagkracht om zelf in de kosten van maatregelen te voorzien. De Raad overweegt ten slotte dat, indien het College concludeert dat Vervoer op Maat de beperkingen van appellant in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie op het gebied van het zich lokaal verplaatsen compenseert, dit nog niet betekent dat Vervoer op Maat voor appellant de meest doelmatige voorziening als bedoeld in artikel 1.5, tweede lid, van de Verordening is.

6. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 18 april 2008;

Bepaalt dat het College binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.C.P.Venema en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van C.de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2009.

(get.) R.M. van Male.

(get.) C. de Blaeij.

MM