Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2503

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
09-11-2009
Zaaknummer
08-3651 WMO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging vervoersvoorziening in de vorm van een driewielfiets. Naar het oordeel van de Raad moet het er bij ontbreken van duidelijke gegevens voor het tegendeel voor worden gehouden dat het besluit van 10 juli 2006 voorziet in toekenning van de driewielfiets voor onbepaalde tijd. Dat het College daarbij heeft overwogen dat de medische situatie van appellante binnen 6 maanden zal worden onderzocht, doet daaraan niet af, omdat de bevindingen van dat onderzoek ook kunnen leiden tot beëindiging van een voor onbepaalde tijd verstrekte voorziening. Op grond van het bepaalde in artikel 40, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wmo blijven de rechten en verplichtingen met betrekking tot het op grond van de Wvg genomen besluit van 10 juli 2006, die golden op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wmo (te weten 1 januari 2007), gelden gedurende de looptijd van dit besluit tot uiterlijk een jaar na inwerkingtreding van de Wmo (te weten 1 januari 2008). De Raad leidt daaruit af dat een vóór 1 januari 2008 genomen besluit tot beëindiging van een op grond van de Wvg toegekende voorziening moet worden beoordeeld op basis van het aan de Wvg te ontlenen toetsingskader. Dat het College ambtshalve gebruik maakt van de - zowel in het bepaalde op grond van de Wmo als de Wvg besloten liggende - bevoegdheid tot beëindiging van een voorziening in verband met het optreden van een relevante wijziging in de situatie van degene aan wie een voorziening is toegekend, heeft geen gevolg voor het in dit geval toe te passen beoordelingskader. Gelet op de stellingen van partijen spitst het geschil zich in hoger beroep toe op de vraag of het College op goede gronden heeft geoordeeld dat appellante ten tijde in geding niet zodanige - naar objectieve maatstaf gemeten - medische beperkingen had, dat zij voor het vervoer in haar directe woonomgeving aangewezen was op een driewielfiets. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet gebleken is dat de rapporten van het CIZ, die het College aan het in bezwaar gehandhaafde besluit tot beëindiging ten grondslag heeft gelegd, onzorgvuldig zijn voorbereid of dat de daarin getrokken conclusies niet gedragen kunnen worden door de bevindingen. Ook op basis van de in beroep en hoger beroep namens appellante overgelegde verklaringen van haar huisarts ziet de Raad geen aanleiding om aan te nemen dat voor haar pijnklachten en haar angst om met een gewone fiets te vallen een naar objectieve maatstaf gemeten medische grondslag bestaat. De Raad is van oordeel dat voor de beoordeling van de beëindiging van de voorziening op basis van het aan de Wvg te ontlenen toetsingskader geen betekenis kan worden toegekend aan de verklaring van de huisarts van appellante van 20 juli 2009. In deze verklaring geeft de huisarts aan dat appellante in 2009 is verwezen naar een revalidatiearts om te onderzoeken waarom het fietsen op een tweewieler niet lukt. Het fietsen op een tweewieler is niet gelukt vanwege een scala aan factoren. Appellante heeft onder meer symptomen die passen bij een posttraumatische stressstoornis. Zij heeft veel last van angsten en het fietsen lukt haar niet uit angst weer te zullen vallen en letsel op te lopen. De Raad ziet hierin onvoldoende aanknopingspunt voor het oordeel dat appellante op medische gronden, naar objectieve maatstaf gemeten, niet in staat is om zich te verplaatsen door middel van een tweewieler. Dit betekent dat het College de in het besluit van 11 oktober 2007 neergelegde handhaving van zijn besluit om de voorziening in de vorm van de driewielfiets te beëindigen materieel juist is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010, 9
RSV 2010, 6

Uitspraak

08/3651 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 13 mei 2008, 07/4924 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 28 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. de Jong, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F.J.W. de Bruijn, werkzaam bij de gemeente Tilburg, en drs. W. Peters, werkzaam bij StimulanSZ.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is bekend met een afwijking aan haar linkerheup. In verband met de beperkingen die zij ten gevolge van deze heupafwijking ondervindt is aan haar door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente] in 1999 een vervoersvoorziening op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) toegekend in de vorm van een driewielfiets. In 2001 is appellante verhuisd naar de gemeente Tilburg. Op basis van het indicatieonderzoek dat ten grondslag heeft gelegen aan de toekenning van deze voorziening door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente] heeft het College de verstrekking van deze voorziening in de gemeente Tilburg voortgezet.

1.2. Appellante heeft ten gevolge van een ongeval op 7 juli 2003 een dubbele beenbreuk links opgelopen. Aan appellante is vervolgens met ingang van 1 augustus 2003 naast de driewielfiets een vervoersvoorziening in de vorm deelname aan het collectief vervoer (deeltaxi) toegekend. Beide voorzieningen zijn toen voor de duur van zes maanden toegekend. In 2005 heeft het College de toekenning van beide voorzieningen voor de duur van een jaar verlengd. Het College heeft bij besluit van 10 juli 2006 bepaald dat de verstrekking van de driewielfiets wordt gecontinueerd. Daarbij is overwogen dat de medische situatie van appellante binnen 6 maanden opnieuw zal worden onderzocht. Tevens is beslist dat de mogelijkheid van gebruik van de deeltaxi wordt beëindigd.

1.3. In het kader van een herbeoordeling van de medische situatie van appellante heeft CIZ een onderzoek ingesteld. Dit onderzoek heeft bestaan uit het afnemen van een anamnese, klinische waarneming en een beschouwing van de algemene gezondheidstoestand van appellante. Op basis van dit onderzoek heeft de indicatieadviseur geconcludeerd, dat appellante in staat wordt geacht om adequaat gebruik te maken van een tweewielfiets met hulpaandrijving.

1.4. Overeenkomstig het door CIZ op 28 juni 2007 uitgebrachte advies heeft het College bij besluit van 9 juli 2007 beslist dat de vervoersvoorziening in de vorm van een driewielfiets wordt beëindigd.

1.5. Appellante heeft tegen het besluit van 9 juli 2007 bezwaar gemaakt. Zij heeft daarbij aangegeven dat zij nog steeds beperkingen ondervindt bij het gebruik van haar linkerbeen. Bij het belasten van dat been ervaart zij pijnklachten en heeft zij tintelingen. Bij het gebruikmaken van een gewone fiets heeft zij de angst om te vallen.

1.6. Naar aanleiding van het bezwaar heeft CIZ op 12 september 2007 een medisch advies aan het College uitgebracht. In dit advies, dat tot stand is gekomen na een spreekuurbezoek, klinische waarneming, kennisname van informatie van de orthopeed dr. M. Heeg en de huisarts van appellante en gericht functioneel onderzoek, is geconcludeerd dat appellante in staat moet worden geacht om adequaat gebruik te maken van een fiets. Hij heeft daarbij opgemerkt dat uit de verkregen informatie blijkt dat er op orthopedisch gebied geen objectiveerbare afwijkingen kunnen worden vastgesteld en dat de pijnklachten in het linkerbeen niet kunnen worden geobjectiveerd.

1.7. Bij besluit van 11 oktober 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 9 juli 2007 ongegrond verklaard. Het College heeft daarbij verwezen naar het advies van CIZ van 12 september 2007.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 oktober 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de namens appellante overgelegde medische informatie geen aanleiding geeft om te twijfelen aan het door CIZ uitgebrachte advies.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Namens haar is onder meer aangevoerd dat zij ten gevolge van de beenbreuk zenuwschade heeft opgelopen. In verband met klachten aan haar heup en linkerbeen heeft zij een beperkte stabiliteit en is zij beperkt bij het op- en afstappen van een gewone fiets.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Overgangsrecht

4.1.1. Ingevolge artikel 42 van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is deze wet op 1 januari 2007 in werking getreden.

4.1.2. Ingevolge artikel 40 van de Wmo wordt de Wvg ingetrokken, met dien verstande dat:

“(…) c. andere rechten en verplichtingen dan die die voortvloeien uit artikel 9 van de Wvg als bedoeld onder b, die gelden op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet met betrekking tot een beschikking waarbij op grond van de Wvg een voorziening is verleend, blijven gelden gedurende de looptijd van de beschikking, doch ten hoogste een jaar na inwerkingtreding van deze wet (…).”

4.2. Naar het oordeel van de Raad moet het er bij ontbreken van duidelijke gegevens voor het tegendeel voor worden gehouden dat het besluit van 10 juli 2006 voorziet in toekenning van de driewielfiets voor onbepaalde tijd. Dat het College daarbij heeft overwogen dat de medische situatie van appellante binnen 6 maanden zal worden onderzocht, doet daaraan niet af, omdat de bevindingen van dat onderzoek ook kunnen leiden tot beëindiging van een voor onbepaalde tijd verstrekte voorziening. Op grond van het bepaalde in artikel 40, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wmo blijven de rechten en verplichtingen met betrekking tot het op grond van de Wvg genomen besluit van 10 juli 2006, die golden op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wmo (te weten 1 januari 2007), gelden gedurende de looptijd van dit besluit tot uiterlijk een jaar na inwerkingtreding van de Wmo (te weten 1 januari 2008). De Raad leidt daaruit af dat een vóór 1 januari 2008 genomen besluit tot beëindiging van een op grond van de Wvg toegekende voorziening moet worden beoordeeld op basis van het aan de Wvg te ontlenen toetsingskader. Dat het College ambtshalve gebruik maakt van de - zowel in het bepaalde op grond van de Wmo als de Wvg besloten liggende - bevoegdheid tot beëindiging van een voorziening in verband met het optreden van een relevante wijziging in de situatie van degene aan wie een voorziening is toegekend, heeft geen gevolg voor het in dit geval toe te passen beoordelingskader.

Medische grondslag

4.3. Gelet op de stellingen van partijen spitst het geschil zich in hoger beroep toe op de vraag of het College op goede gronden heeft geoordeeld dat appellante ten tijde in geding niet zodanige - naar objectieve maatstaf gemeten - medische beperkingen had, dat zij voor het vervoer in haar directe woonomgeving aangewezen was op een driewielfiets.

4.4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet gebleken is dat de rapporten van het CIZ, die het College aan het in bezwaar gehandhaafde besluit tot beëindiging ten grondslag heeft gelegd, onzorgvuldig zijn voorbereid of dat de daarin getrokken conclusies niet gedragen kunnen worden door de bevindingen. Ook op basis van de in beroep en hoger beroep namens appellante overgelegde verklaringen van haar huisarts ziet de Raad geen aanleiding om aan te nemen dat voor haar pijnklachten en haar angst om met een gewone fiets te vallen een naar objectieve maatstaf gemeten medische grondslag bestaat. De Raad is van oordeel dat voor de beoordeling van de beëindiging van de voorziening op basis van het aan de Wvg te ontlenen toetsingskader geen betekenis kan worden toegekend aan de verklaring van de huisarts van appellante van 20 juli 2009. In deze verklaring geeft de huisarts aan dat appellante in 2009 is verwezen naar een revalidatiearts om te onderzoeken waarom het fietsen op een tweewieler niet lukt. Het fietsen op een tweewieler is niet gelukt vanwege een scala aan factoren. Appellante heeft onder meer symptomen die passen bij een posttraumatische stressstoornis. Zij heeft veel last van angsten en het fietsen lukt haar niet uit angst weer te zullen vallen en letsel op te lopen. De Raad ziet hierin onvoldoende aanknopingspunt voor het oordeel dat appellante op medische gronden, naar objectieve maatstaf gemeten, niet in staat is om zich te verplaatsen door middel van een tweewieler.

4.5. Dit betekent dat het College de in het besluit van 11 oktober 2007 neergelegde handhaving van zijn besluit om de voorziening in de vorm van de driewielfiets te beëindigen materieel juist is.

Slotoverwegingen

5. Op grond van hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.5 volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.C.P.Venema en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2009.

(get.) R.M. van Male.

(get.) C. de Blaeij.

MM