Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2266

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
06-11-2009
Zaaknummer
08-3416 WW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. In hetgeen appellante heeft gesteld omtrent salaris, reistijd, werkinhoud e.d. kan de Raad, evenmin als de rechtbank, zodanig reële bezwaren lezen dat de aangeboden arbeid niet passend zou zijn. Dat het om een functie op een lager niveau gaat, is inherent aan het feit dat appellante niet gekwalificeerd is voor functies waarvoor de werkgever het bezit van het diploma assurantie-B noodzakelijk acht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/3416 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van rechtbank Zutphen van 6 mei 2008, 07/999 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 oktober 2009.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.G.Volbeda, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Volbeda. Namens het Uwv is verschenen E. van den Brink.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Appellante is per 1 april 1997 in dienst getreden van [naam werkgever] (hierna: werkgever) als verzekeringsadviseur buitendienst. Zij was laatstelijk werkzaam voor 20 uur per week. In de schriftelijke arbeidsovereenkomst is neergelegd dat ervan wordt uitgegaan dat appellante in het jaar 1997 slaagt voor de volledige cursus assurantie-B. Appellante heeft het diploma assurantie-B niet behaald. Zij is tweemaal met de opleiding begonnen maar heeft beide malen de opleiding afgebroken, dan wel is zij daarvoor niet geslaagd. De werkgever heeft appellante er diverse malen op aangesproken dat zij de cursus assurantie-B moest volgen. Blijkens de gedingstukken heeft appellante, toen de werkgever er medio 2004 nogmaals dringend op had gewezen dat zij in het bezit moest zijn van het diploma assurantie-B, gevraagd om een andere functie waarvoor het diplomavereiste niet gold. Haar is toen een back-office functie aangeboden. Appellante heeft die functie niet aanvaard. In maart 2006 heeft de werkgever appellante voorgehouden dat zij, indien ze zou vasthouden aan haar beslissing om niet te starten met de cursus, ontslag zal moeten nemen. Appellante heeft de werkgever te kennen gegeven dat zij niet bereid was om de opleiding te gaan volgen. Dat leidde er - uiteindelijk - toe dat de werkgever appellante op 29 juni 2006 de functie van medewerker Telefoon Service Groep (TSG) te [plaatsnaam] heeft aangeboden, met onder meer een salarisafbouwregeling en een reiskostenvergoeding. Appellante heeft bij brief van 5 juli 2006 dat aanbod afgewezen.

2.2. De werkgever heeft vervolgens de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Na verweer van appellante zijn partijen tot een vergelijk gekomen, hetgeen er toe heeft geleid dat de kantonrechter bij beschikking van 8 november 2006 de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden per 1 december 2006, onder toekenning van een vergoeding van € 10.000,-- aan appellante ten laste van de werkgever.

2.3. Appellante heeft een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 17 januari 2007 heeft het Uwv die uitkering geweigerd. Bij besluit van 10 mei 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 januari 2007 ongegrond verklaard. Volgens het Uwv was de functie van medewerker TSG, ook al was die enkele schalen lager ingedeeld dan de functie die appellante tot dan bekleedde, passend. Appellante heeft nagelaten passende arbeid te aanvaarden zodat zij verwijtbaar werkloos is geworden. Omdat de omvang van de aangeboden functie overeenkomt met de oude functie van appellante is de WW-uitkering blijvend geheel geweigerd. Het Uwv verwijst naar artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, in verbinding met artikel 27, tweede lid, van de WW.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat haar niet gebleken is dat de aangeboden functie dusdanig laag van niveau was en de daaraan verbonden werkzaamheden en verantwoordelijkheden dusdanig verschillen van haar oude functie, dat aanvaarding van die functie niet redelijkerwijs kon worden verlangd. De rechtbank stelde vast dat het salaris weliswaar lager was, maar dat de werkgever had voorzien in een afbouwregeling van twee jaar. Met betrekking tot de reistijd overwoog de rechtbank dat die niet dermate lang was dat het aanbod daardoor niet passend was, in welk verband de rechtbank er op wees dat de werkgever bereid was appellante gedurende drie maanden deels onder werktijd te laten reizen, waarbij ook de reiskosten deels werden vergoed. De rechtbank kwam dan ook tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft aangenomen dat de aangeboden functie van medewerker TSG passend was en dat aanvaarding van dat aanbod redelijkerwijs van appellante, die al sedert medio 2004 diverse malen was aangesproken op het behalen van het diploma assurantie-B, kon worden gevergd. Dat appellante ook zonder dat diploma altijd goed had gefunctioneerd, doet volgens de rechtbank aan het vorenstaande niet af.

4. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat de functie van medewerker TSG niet passend was.

5. De Raad staat voor de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit. Die vraag beantwoordt de Raad, zich beperkend tot het punt van geschil, te weten of de aangeboden arbeid passend was, bevestigend.

5.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die haar tot dat oordeel hebben geleid. In hetgeen appellante heeft gesteld omtrent salaris, reistijd, werkinhoud e.d. kan de Raad, evenmin als de rechtbank, zodanig reële bezwaren lezen dat de aangeboden arbeid niet passend zou zijn. Dat het om een functie op een lager niveau gaat, is inherent aan het feit dat appellante niet gekwalificeerd is voor functies waarvoor de werkgever het bezit van het diploma assurantie-B noodzakelijk acht.

5.2. Appellante heeft nog aangevoerd dat zij in de loop van de ontbindingsprocedure alsnog heeft aangeboden bedoeld diploma te behalen, maar dat de werkgever daarmee niet akkoord ging. Appellante stelt in dat verband dat de rechtbank die stelling ten onrechte niet in de beoordeling heeft betrokken. De Raad deelt dat standpunt niet. Bij de rechtbank lag de vraag voor of appellante terecht verweten is dat zij passend werk heeft geweigerd te aanvaarden. Die vraag heeft de rechtbank, als gezegd, juist beantwoord.

5.4. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2009.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P.W.J. Hospel.

BvW