Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2263

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-10-2009
Datum publicatie
06-11-2009
Zaaknummer
08-1137 WWB + 08-1138 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Het in eigendom hebben van vermogensbestanddelen met een aanzienlijke waarde en het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden zijn immers aan te merken als feiten en omstandigheden waarvan het appellanten redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat deze van invloed zijn op het recht op bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/1137 WWB

08/1138 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant) en [appellante] (hierna: appellante), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 januari 2008, 07/1354 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft (hierna: College)

Datum uitspraak: 27 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R.G. Groen, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2009. Appellanten en mr. Groen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Schokker, werkzaam bij de gemeente Delft.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2. Appellanten ontvingen met ingang van 1 mei 1996 een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.3. Naar aanleiding van een melding, inhoudende dat appellant werkzaamheden zou verrichten als commissaris bij [naam werkgever] en daaruit mogelijk inkomsten had, heeft de Sociale Recherche van de gemeente Delft een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek is informatie ingewonnen bij derden en zijn appellanten en een aantal getuigen gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een Rapportage Bijzonder Onderzoek van 23 maart 2006 en een Vervolgrapportage Bijzonder onderzoek van 3 april 2006. De onderzoeksbevindingen waren voor het College aanleiding om bij besluit van 23 maart 2006 de bijstand van appellanten over de periode van 1 juli 1997 tot en met 28 februari 2006 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 138.352,71 van hen terug te vorderen. Bij besluit van 13 april 2006 heeft het College de bijstand van appellanten met ingang van 1 maart 2006 beëindigd (lees: ingetrokken).

1.4. Bij besluit van 17 januari 2007 heeft het College de door appellanten tegen de besluiten van 23 maart 2006 en 13 april 2006 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Aan de intrekking van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 28 februari 2006 en vanaf 1 maart 2006 is ten grondslag gelegd dat appellanten door niet op te geven dat sprake was van werkzaamheden, dat er meerdere voertuigen op naam van appellant

geregistreerd hebben gestaan en dat sprake was van een boot, de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden en dat als gevolg van deze schending het recht op bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 28 februari 2006 en vanaf

1 maart 2006 niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 januari 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat appellanten in de hier te beoordelen periode, welke loopt van 1 juli 1997 tot en met 13 april 2006, in het bezit zijn geweest van een pleziervaartuig, personenauto’s en aanhangwagens en dat zij daarnaast werkzaamheden hebben verricht in het bedrijf van hun zoon, zonder hiervan mededeling te doen aan het College. Aan de hand van de door hen in te vullen informatieformulieren had het appellanten genoegzaam duidelijk kunnen zijn dat zij van die gegevens melding dienden te maken. Op grond van deze omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank voldoende grondslag voor de conclusie dat appellant onder meer in de periode in geding werkzaamheden heeft verricht en dat het op geld waardeerbare activiteiten betreft. Nu appelanten er niet in zijn geslaagd inzichtelijk te maken over welke vermogensbestanddelen en inkomsten zij hebben beschikt gedurende de periode in geding en wat de waarde van deze vermogensbestanddelen is geweest, kan naar het oordeel van de rechtbank niet met zekerheid worden vastgesteld of zij de beschikking hadden over de middelen ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting door appellanten is hun recht op bijstand ten tijde in geding niet vast te stellen, hetgeen voor hun risico dient te komen. De rechtbank heeft geen grond gezien voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van de bevoegdheid tot intrekking van de bijstand gebruik heeft kunnen maken. Het door het College gevoerde beleid inzake de terugvordering van bijstand die het gevolg is van een herzienings- of intrekkingsbesluit als bedoeld in artikel 54, derde lid aanhef en onder a, van de WWB, waarbij steeds tot volledige terugvordering wordt overgegaan tenzij er sprake is van dringende redenen om daarvan geheel of gedeeltelijk af te zien, gaat volgens de rechtbank de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is de rechtbank niet gebleken.

3. Appellanten hebben in hoger beroep - naast de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden - onder meer naar voren gebracht dat zij alle van belang zijnde informatie hebben verschaft en de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden. Daartoe hebben zij gesteld dat voor belanghebbenden zoals appellanten kenbaar dient te zijn wat van hen wordt verwacht. Indien het College de op heronderzoeksformulieren gestelde vragen ook van belang vindt voor de maandelijkse beoordeling van het recht op uitkering, dient het die vragen ook te stellen op de maandelijkse rechtmatigheidsonderzoeksformulieren. Appellanten menen voorts dat met het door het College gevoerde beleid inzake terugvordering de bedoeling van de wetgever wordt miskend, nu de wetgever in de WWB duidelijk heeft gekozen voor een bevoegdheid en niet voor een verplichting tot terugvordering. Het College had wegens dringende redenen moeten afzien van terugvordering, mede omdat appellanten gelet op hetgeen hun kenbaar was de noodzakelijke informatie hebben verschaft.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad kan zich geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank over het besluit op bezwaar van 17 januari 2007 en onderschrijft de overwegingen die de rechtbank tot haar oordeel hebben geleid. De Raad voegt daaraan, mede naar aanleiding van de in hoger beroep aangevoerde grieven, het volgende toe.

4.2. Appellanten betwisten niet dat zij het bezit van een pleziervaartuig, enkele auto’s en aanhangwagens evenals het verrichten van werkzaamheden in het bedrijf van hun zoon hadden moeten opgegeven aan het College en dit hebben nagelaten. Ook naar het oordeel van de Raad zijn appellanten daardoor tekort geschoten in de nakoming van de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting. Het in eigendom hebben van vermogensbestanddelen met een aanzienlijke waarde en het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden zijn immers aan te merken als feiten en omstandigheden waarvan het appellanten redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat deze van invloed zijn op het recht op bijstand. Het betoog van appellanten dat voor hen niet kenbaar was welke informatie zij dienden te verstrekken treft geen doel. Daargelaten dat op het aanvraagformulier, op de maandelijkse informatieformulieren en op de heronderzoeksformulieren wordt gevraagd naar inkomsten, vermogen en werkzaamheden, waren appellanten op grond van artikel 65, eerste lid van de Algemene bijstandswet (Abw) en artikel 17, eerste lid van de WWB gehouden feiten of omstandigheden als hier aan de orde, ook al wordt daarnaar niet uitdrukkelijk gevraagd, uit eigen beweging aan het College te melden.

4.3. Voor de zienswijze van appellanten dat met het door het College ten aanzien van terugvordering van kosten van bijstand gevoerde beleid de bedoeling van de wetgever wordt miskend heeft de Raad onvoldoende steun in de geschiedenis van de totstandkoming van de WWB kunnen vinden. Zoals de Raad reeds eerder, onder meer in zijn uitspraak van 7 november 2006, LJN AZ2204, heeft geoordeeld, hoeft het feit dat de onder de Abw geldende verplichting tot terugvordering na de inwerkingtreding van de WWB is gewijzigd in een bevoegdheid, niet zonder meer te betekenen dat bijstandsontvangers op het punt van de terugvordering in alle gevallen soepeler tegemoet worden getreden dan voorheen onder de vigeur van de Abw het geval was. De Raad is met de rechtbank en onder verwijzing naar zijn uitspraak van 8 juli 2008, LJN BD8128, van oordeel dat het hiervoor onder 2 aangeduide beleid niet in strijd komt met algemeen verbindende voorschriften waarop het is gebaseerd en dat het College met dit beleid, voor zover dit ziet op terugvordering van bijstand die het gevolg is van een herzienings- of intrekkingsbesluit als bedoeld in artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, niet buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is getreden. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in dat beleid op grond waarvan het College geheel of gedeeltelijk van terugvordering had behoren af te zien.

4.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2009.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) C. de Blaeij.

mm