Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2140

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
10-11-2009
Zaaknummer
08-6651 Wvg
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering om appellant opnieuw in aanmerking te brengen voor de tegemoetkoming in de kosten van vervoer met eigen auto, omdat hij in staat wordt geacht om gebruik te maken van aanvullend openbaar vervoer, versie deur tot deur plus met begeleiding. Met deze voorziening en een adequate rolstoel wordt appellant in staat geacht in zijn vervoersbehoefte te voorzien. Voldoende medisch onderzoek. Geen strijd met rechtszekerheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/6651 WVG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U i t s p r a a k

op het hoger beroep van

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2008, 07/859, (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het College)

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.E. Stam, advocaat te Zaandam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 08/574 WVG, plaatsgevonden op 26 augustus 2009. Voor appellant is zijn vader, [naam vader], verschenen, bijgestaan door mr. Stam. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Smit, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren [in] 1997, is als gevolg van een ongeluk ernstig motorisch gehandicapt; hij heeft een ontwikkelingsachterstand en gedragsproblemen en is voor zijn verplaatsingen rolstoelafhankelijk. In verband met zijn beperkingen ontving appellant in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) onder meer een volledige tegemoetkoming in de kosten van zijn vervoer per auto, laatstelijk over de periode van 1 oktober 2005 tot en met 30 september 2006.

1.2. Naar aanleiding van een aanvraag van appellant om een autostoel heeft Argonaut Advies BV desgevraagd op 3 januari 2006 aan het College onder meer gerapporteerd dat de huidige gezinsauto niet adequaat is voor het vervoer van appellant en ook niet adequaat gemaakt kan worden, en dat een rolstoelgeschikte auto noodzakelijk is, zodat appellant zittende in zijn rolstoel in een rolstoelgeschikte auto vervoerd kan worden. Vervolgens heeft het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) op 23 juni 2006 in een medisch advies desgevraagd geconcludeerd dat appellant in staat wordt geacht om gebruik te maken van aanvullend openbaar vervoer, versie deur tot deur plus met begeleiding. Met deze voorziening en een adequate rolstoel wordt appellant in staat geacht in zijn vervoersbehoefte te voorzien.

1.3. Op 4 september 2006 heeft appellant verzocht om verlenging van de tegemoetkoming in de kosten van zijn vervoer. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het College appellant bij besluit van 25 oktober 2006 meegedeeld, dat hij met het aanvullend openbaar vervoer, type deur tot deur plus, kan reizen en dat de personenauto die appellant in zijn bezit heeft niet adequaat is om hem te vervoeren. Om die reden zal de vervoerskostenvergoeding met ingang van 1 oktober 2006 worden beëindigd.

1.4. Bij besluit van 15 januari 2007 heeft het College het tegen het besluit van 25 oktober 2006 gemaakte bezwaar onder verwijzing naar indicatieadviezen van CIZ van 8 juli 2005 en van 23 juni 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 15 januari 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat van problemen die appellant tijdens het vervoer ondervindt met medepassagiers geen sprake kan zijn, omdat appellant in aanmerking komt voor de optie “alleenvervoer”. Wat de incontinentieproblemen van appellant betreft heeft de rechtbank overwogen, dat ingevolge vaste rechtspraak van de Raad incontinentie niet (altijd) een beletsel hoeft te zijn voor deelname aan het collectief vervoer. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat de optie “alleenvervoer” meebrengt dat appellant in feite ook beschikt over de optie “direct reizend” waardoor de reistijd niet onnodig wordt verlengd. Verder is overwogen dat ten behoeve van uitstapjes met de familie gebruik gemaakt kan worden van de zogeheten gezinspas. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat appellant tijdens het reizen door twee personen begeleid moet worden.

3. Namens appellant is in hoger beroep onder meer aangevoerd dat het aanvullend openbaar vervoer niet adequaat kan voorzien in de individuele vervoersbehoefte van appellant. Er wordt volgens appellant onvoldoende rekening gehouden met de praktische problemen van vervoer per taxi. Voorts acht appellant het in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel dat hij voorheen wel in aanmerking kwam voor een vervoerskostenvergoeding en nu niet meer.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of het College terecht heeft geweigerd appellant opnieuw in aanmerking te brengen voor de tegemoetkoming in de kosten van vervoer met eigen auto op de grond dat appellant voor zijn vervoersbehoefte gebruik kan maken van het aanvullend openbaar vervoer, versie deur tot deur plus met begeleiding.

4.2.1. Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders zorg draagt voor de verlening van - onder meer - vervoersvoorzieningen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten. Ingevolge artikel 3 van de Wvg dienen deze voorzieningen verantwoord, dat wil zeggen doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht te zijn. In artikel 2, eerste lid, van de Wvg is voorts bepaald dat de gemeenteraad met inachtneming van hetgeen bij of krachtens de Wvg is bepaald bij verordening daartoe regels dient vast te stellen. De Raad stelt vast dat de raad van de gemeente Amsterdam, daaraan uitvoering gevende, de Verordening Voorzieningen Gehandicapten (hierna: Verordening) heeft vastgesteld.

4.2.2. Ingevolge artikel 1.2, aanhef en onder c, van de Verordening kan een voorziening slechts worden toegekend voor zover deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt.

4.2.3. Artikel 3.1, aanhef en onder 1, van de Verordening bepaalt dat burgemeester en wethouders een vervoersvoorziening kunnen verstrekken bestaande uit een collectief systeem van aanvullend openbaar vervoer. Ingevolge artikel 3.1, vierde lid, aanhef en onder b, van de Verordening kan een vervoersvoorziening worden verstrekt, bestaande uit een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een eigen auto of een taxi of vervoer door derden.

4.2.4. Artikel 3.3, vierde lid, van de Verordening bepaalt dat, voor zover in de individuele vervoersbehoefte kan worden voorzien door het aanvullend openbaar vervoer, geen vervoervoorziening als bedoeld in artikel 3.1, tweede tot en met vijfde lid, wordt toegekend.

4.2.5. Ter uitvoering van de bevoegdheid om onder meer vervoersvoorzieningen toe te kennen heeft het College de Beleidsregels Wet Voorzieningen Gehandicapten vastgesteld (hierna: Beleidsregels).

4.2.6. In hoofdstuk 1.2.3 van de Beleidsregels is het beleid vervat dat een voorziening altijd adequaat moet zijn. Pas als er meerdere oplossingen mogelijk zijn, die tevens adequaat zijn, kan de meest goedkope voorziening worden gekozen.

4.2.7. In hoofdstuk 4.2 van de Beleidsregels is het beleid neergelegd dat bij het vaststellen van het recht op een vervoersvoorziening rekening gehouden moet worden met de individuele vervoersbehoefte van de betrokkene en de mate waarin het openbaar vervoer en het aanvullend openbaar vervoer in die vervoersbehoefte kan voorzien.

4.2.8. In hoofdstuk 4.2.2 is het beleid vervat dat bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen het primaat is gelegd bij het zogenaamde collectieve vervoer. Aan gehandicapten die geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer wordt een alternatief aangeboden in de vorm van een collectief aanvullend vervoersysteem: Stadsmobiel. Alleen wanneer dit niet of in beperkte mate in de vervoersbehoefte van de gehandicapte voorziet, kan een aanvullende individuele vervoersvoorziening worden getroffen.

4.2.9. Tot het aanvullend openbaar vervoer behoort deur tot deur plus vervoer (door Stadsmobiel, tot 1/9/06 door VZA) voor mensen met een zwaardere fysieke beperking.

In het deur tot deur plus vervoer krijgen mensen intensieve begeleiding bij het in- en uitstappen. Zonodig worden zij rechtstreeks vervoerd of reizen zij alleen.

4.3. De Raad stelt vast dat het College zijn besluit tot het niet opnieuw in aanmerking brengen van de financiële tegemoetkoming in de kosten van vervoer per eigen auto heeft gehandhaafd onder verwijzing naar de indicatieadviezen van CIZ van 8 juli 2005 en van 23 juni 2006. Het advies van 8 juli 2005 is tot stand gekomen na een huisbezoek door de arts Wiersma. Daarnaast is kennis genomen van reeds aanwezige medische informatie naar aanleiding van een eerdere aanvraag. Verder is er telefonisch contact met de vader van appellant geweest. Het advies van 23 juni 2006 is tot stand gekomen na onder meer kennisname van een brief van de huisarts van appellant, na kennisname van het advies van 8 juli 2005, na een spreekuurbezoek door de vader van appellant en na telefonisch overleg met een ergotherapeut. Daarnaast heeft CIZ-arts A. van de Linde dossieronderzoek verricht en medische gegevens bij de huisarts van appellant opgevraagd. Gelet op vorenstaande onderzoeksactiviteiten zijn de adviezen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen.

4.4. Voorts stelt de Raad vast dat in het advies van 8 juli 2005 onder meer is geconcludeerd dat voor appellant het vervoersproduct ‘deur tot deur samenreizend’ niet mogelijk is vanwege zijn gedrag. Wel is door de CIZ-arts geconstateerd dat het voor appellant mogelijk is om met het vervoersproduct ‘deur tot deur plus’ te reizen. In het advies van 23 juni 2006 is onder meer geadviseerd dat het vervoer van appellant als gevolg van zijn gedragsproblematiek steeds door dezelfde persoon moet worden gedaan. Collectief vervoer komt hierdoor niet in aanmerking. Voor vervoer per rolstoeltaxi is er op medische gronden geen contra-indicatie. Er is geen medische reden waarom de duur van het vervoer beperkt moet blijven. Het plannen van ritten is wel te doen met het gegeven dat appellant na twee tot drie uur verschoond moet worden. Appellant wordt in staat geacht gebruik te maken van aanvullend openbaar vervoer, versie ‘deur tot deur plus met begeleiding’. Blijkens de ter zitting door de vertegenwoordiger van het College gegeven toelichting moet dit advies zo worden begrepen dat appellant, bij begeleiding door een vaste begeleider, gebruik kan maken van een rolstoeltaxi, ook als deze taxi niet steeds door dezelfde chauffeur wordt gereden.

De Raad ziet geen aanleiding om aan te nemen dat deze conclusie inhoudelijk onjuist zou zijn. De namens appellant overgelegde medische informatie leidt niet tot een ander oordeel, nu daarin enkel bezwaren naar voren komen met betrekking tot de wacht- en reistijd bij gebruikmaking van het aanvullend openbaar vervoer. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er evenmin aanleiding bestaat om aan te nemen dat appellant door gebruik te maken van de optie ‘alleen vervoer’ en ‘direct reizend’ met onaanvaardbaar lange wacht- en reistijden zal worden geconfronteerd. Voorts onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de overige bezwaren van praktische aard en maakt deze tot de zijne.

4.5. De Raad is voorts van oordeel dat de bij besluit van 15 januari 2007 gehandhaafde weigering om appellant opnieuw in aanmerking te brengen voor een tegemoetkoming in de kosten van vervoer met eigen auto niet is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Bij besluit van 7 december 2005 was aan appellant een tegemoetkoming toegekend voor een beperkte periode, te weten van 1 oktober 2005 tot en met 30 september 2006. Aan het feit dat aan appellant in het verleden een tegemoetkoming is toegekend kan niet een in rechte te honoreren verwachting worden ontleend dat deze tegemoetkoming ongewijzigd zal worden voortgezet.

4.6. Uit hetgeen is overwogen in 4.3 tot en met 4.5 vloeit voort dat het College terecht de weigering om appellant opnieuw in aanmerking te brengen voor de tegemoetkoming in de kosten van vervoer met eigen auto in zijn besluit van 15 januari 2007 heeft gehandhaafd. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009.

(get.) R.M. van Male

(get.) C. de Blaeij

MM