Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2114

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2009
Datum publicatie
06-11-2009
Zaaknummer
08-2057 MAW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing voor de functie Luitenant Basiscontingent. De Raad onderschrijft het oordeel van de commandant en de rechtbank dat de aangeduide regels van de Tijdelijke richtlijn bij de sollicitatie van appellant van toepassing waren. De Tijdelijke richtlijn bevat immers op het punt van de vereiste ervaringsduur/beschikbaarheid voor functies in een hogere rang een eigen complete regeling voor de vulling en toewijzing van functies bij de in de richtlijn genoemde brigades van de nieuw vastgestelde Kmar-organisatie. Dat appellant op grond van de overgangsbepalingen in de Procedureregel nog niet onder de werking van de Procedureregel viel, en dat de BLMKMar niet is vermeld bij de juridische grondslag op het voorblad van de Tijdelijke richtlijn doet daaraan niet af. Dat de eis van drie jaar ervaring als adjudant als vermeld in de Tijdelijke richtlijn voor appellant neerkomt op een bijstelling naar boven van de ervaringseis, kan de Raad niet volgen. Ook het beroep op het vertrouwen dat appellant kon ontlenen aan zijn eerdere sollicitaties op luitenantfuncties waarbij hij weliswaar werd afgewezen, maar wel beschikbaar was geacht, kan niet slagen. De afwijzingen dateren alle van vóór de inwerkingtreding van de Tijdelijke richtlijn en dat daarbij toepassing was gegeven aan de uitzonderingsmogelijkheid. Datzelfde geldt voor het beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2057 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 februari 2008, 07/4091 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Commandant der Koninklijke marechaussee (hierna: commandant)

Datum uitspraak: 22 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H.J. Weekers, verbonden aan ARAG Rechtsbijstand. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.W.C. Naalden, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is werkzaam bij de Koninklijke marechaussee. Met ingang van 1 september 2004 is aan appellant - in beginsel voor 36 maanden - een functie in de rang van adjudant toegewezen en is appellant bevorderd tot adjudant-onderofficier.

In verband met een reorganisatie heeft appellant deze eerste adjudantfunctie vervuld tot 1 augustus 2005. Per 1 augustus 2005 is appellant opnieuw een adjudantfunctie toegewezen.

1.2. In december 2005 en februari 2006 is appellant afgewezen voor enkele luitenantfuncties waarvoor hij had geopteerd. Blijkens de afwijzingsbesluiten is appellant wel beschikbaar geacht voor een luitenantfunctie maar is de voorkeur gegeven aan andere kandidaten.

1.3. In april 2006 is appellant opnieuw afgewezen voor een luitenantfunctie, ditmaal op de grond dat hij niet beschikbaar was. Na bezwaar is de afwijzing bij besluit van 21 augustus 2006 met een aangepaste motivering gehandhaafd; overwogen werd dat appellant wel beschikbaar was voor een luitenantfunctie, omdat een adjudant na aanvang van de tweede adjudantfunctie per direct beschikbaar is voor het functietoewijzings-proces. Appellant beschikte echter niet over de gewenste ervaring op het gebied van conflict- en crisisbeheersing.

1.4. Met ingang van 1 oktober 2006 is ter uitvoering van onder meer hoofdstuk 3 van de Beleidsregel aanstelling, functietoewijzing en bevordering Defensie (hierna: BAFBD), de Procedureregel Loopbaanpatronen Koninklijke marechaussee (hierna: Procedureregel) in werking getreden. Deze Procedureregel verving - behoudens overgangsrecht - de tot dan geldende Beleidsregel loopbaanpatronen militairen Koninklijke marechaussee (hierna: BLMKMar).

Kort nadien is met ingang van 1 november 2006 de Tijdelijke richtlijn voor de vulling en de functietoewijzing van functies in de nieuw vastgestelde Kmar-organisatie (hierna: Tijdelijke richtlijn) van kracht geworden, ter uitvoering van (eveneens) hoofdstuk 3 van de BAFBD en de Procedureregel.

1.5. Bij besluit van 8 januari 2007 is appellant afgewezen voor de functie Luitenant Basiscontingent, omdat hij teruggerekend vanaf de datum 1 oktober 2006 niet voldoet aan de, op grond van de Tijdelijke richtlijn geldende, ervaringseis van 3 jaar voor een adjudant die opteert voor een luitenantfunctie.

Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit van 7 mei 2007. Daarbij is overwogen dat op de sollicitatierondes van 8 november 2006 en 8 januari 2007 de Tijdelijke richtlijn expliciet van toepassing is verklaard. In die tijdelijke richtlijn is aanvullend beleid neergelegd met het oog op een noodzakelijke versnelde doorstroom voor bepaalde groepen functies en is de minimale looptijd in rang van een adjudant die opteert voor een luitenantfunctie vastgesteld op 3 jaar als adjudant, zodat gehandeld is overeenkomstig het geldende beleid.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen dit besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat de commandant in redelijkheid tot vaststelling van het beleid als neergelegd in de Tijdelijke richtlijn heeft kunnen komen en dit van toepassing kon verklaren op de sollicitatie van appellant. Het gegeven dat appellant bij eerdere sollicitatierondes wel beschikbaar was geacht voor een luitenantfunctie achtte de rechtbank niet van doorslaggevend gewicht, omdat in die periode nog de BLMKMar van toepassing was. Voorts achtte de rechtbank een eis van 3 jaar ervaring als adjudant niet onredelijk, omdat de stap van onderofficier naar officier een aanzienlijke is.

3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd het volgende.

3.1. In artikel 22 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) is bepaald dat een militair om voor een functie in aanmerking te komen, moet voldoen aan de gestelde eisen omtrent de opbouw van kennis en ervaring voor de vervulling van de functie.

In artikel 23 van het AMAR is voorts bepaald dat bij een beslissing tot functietoewijzing rekening wordt gehouden met - onder meer - de wenselijkheid van een spreiding van de totale loopbaan van de militair over functies en van een daarmee gepaard gaande opbouw van kennis en ervaring. In verband met een en ander is in artikel 17 van de

- defensiebreed geldende - BAFBD bepaald, dat een functie aan een militair wordt toegewezen voor een periode van in beginsel minimaal twee jaar en maximaal 3 jaar, dat de duur van de functievervulling kan worden verlengd tot een maximum van 5 jaar, en dat de militair in beginsel vanaf de aanvang van de functievervulling gedurende de eerste 2 jaar in beginsel niet in aanmerking komt voor toewijzing van een andere functie.

3.2. Ter nadere invulling van deze bepalingen uit het BAFBD voor de Koninklijke marechaussee is in 2000 tot stand gekomen de BLMKMar. In artikel 3, vierde lid, van de BLMKMar is bepaald dat de duur van de functievervulling, gebaseerd op het uitgangspunt van relevante ervaringsopbouw en continuïteit in de werkomgeving, in beginsel minimaal drie jaar bedraagt, maar dat per functie en per categorie uitzonderingen kunnen worden gemaakt. Voorts zijn in hoofdstuk 3 van de BLMKMar de loopbaanpatronen voor officieren en in hoofdstuk 4 de loopbaanpatronen voor onderofficieren vastgesteld. In hoofdstuk 4, artikel 10, derde lid, van de BLMKMar is bepaald dat de loopbaanpatronen in de bovenbouw onderofficieren zijn gebaseerd op een minimumduur functievervulling van vier jaar, waarbij afwijking van de minimumduur functievervulling kan worden aangegeven in de zogeheten FOFE.

Overgang van het loopbaanpatroon voor onderofficieren naar het loopbaanpatroon voor officieren verliep tot oktober 2002 via opname in het management development (hierna: MD) systeem. In oktober 2002 is de toegang tot het potentiële MD-bestand bevroren en in januari 2004 is het MD-programma voor onderofficieren van de Kmar beëindigd en ingebed in het reguliere personele proces.

3.3. Zoals hiervoor onder 1.4 is vermeld, is met ingang van 1 november 2006 de Tijdelijke richtlijn in werking getreden, waarin in verband met bij de uitvoering van het Beleidsplan Kmar 2001 gebleken discrepantie tussen functiebestand en personeelsbestand de minimale ervaringsduur voor de onderscheidene functies tijdelijk naar beneden is bijgesteld om een versnelde doorstroom naar functies van een hoger rangsniveau mogelijk te maken en daardoor de vullingsproblemen bij de uitvoering van het Beleidsplan op te lossen. Uit de Tijdelijke richtlijn blijkt voorts dat de op grond van artikel 17 van de BAFBD in beginsel voorgeschreven minimale duur functievervulling van 2 jaar, niet van toepassing is, dat dus iedereen kan opteren naar de opengestelde vacatures en dat de minimale looptijd in rang bij optatie van een adjudant naar een luitenantfunctie is vastgesteld op 3 jaar als adjudant, terug te rekenen vanaf 1 oktober 2006. Blijkens de tekst van de Tijdelijke richtlijn is deze expliciet van toepassing verklaard op de sollicitatieronde van 8 november 2006 die heeft geleid tot de in geding zijnde afwijzing.

3.4. De Raad onderschrijft het oordeel van de commandant en de rechtbank dat de hiervoor aangeduide regels van de Tijdelijke richtlijn bij de sollicitatie van appellant van toepassing waren. De Tijdelijke richtlijn bevat immers op het punt van de vereiste ervaringsduur/beschikbaarheid voor functies in een hogere rang een eigen complete regeling voor de vulling en toewijzing van functies bij de in de richtlijn genoemde brigades van de nieuw vastgestelde Kmar-organisatie. Dat appellant op grond van de overgangsbepalingen in de Procedureregel nog niet onder de werking van de Procedureregel viel, en dat de BLMKMar niet is vermeld bij de juridische grondslag op het voorblad van de Tijdelijke richtlijn doet daaraan niet af.

3.5. Dat de eis van drie jaar ervaring als adjudant als vermeld in de Tijdelijke richtlijn voor appellant neerkomt op een bijstelling naar boven van de ervaringseis, kan de Raad niet volgen. Zoals hiervoor onder 3.2 is vermeld, is de duur van de functievervulling met het oog op relevante ervaringsopbouw in artikel 3, vierde lid, van de BLMKMar gesteld op minimaal drie jaar en is in artikel 10, derde lid, van het BLBKMar het loopbaan-patroon in de bovenbouw onderofficieren gebaseerd op een minimumduur functievervulling van 4 jaar. Daarvan uitgaande is geen sprake van een bijstelling naar boven. Dat artikel 10, derde lid, van de BLBKMar geacht moet worden ook te zijn vervallen bij de intrekking van het MD-beleid heeft de commandant ontkend en is door appellant niet verder onderbouwd. Dat in de praktijk onder de vigeur van de BLMKMar veelvuldig gebruik werd gemaakt van de uitzonderingsmogelijkheid doet daaraan niet af. Aan de commandant kan niet de bevoegdheid worden ontzegd eerder geldend beleid te wijzigen en in voorkomend geval aan te scherpen door het schrappen van afwijkingsmogelijkheden.

3.6. Ook het beroep op het vertrouwen dat appellant kon ontlenen aan zijn eerdere sollicitaties op luitenantfuncties waarbij hij weliswaar werd afgewezen, maar wel beschikbaar was geacht, kan niet slagen. Vaststaat immers dat die afwijzingen alle dateren van vóór de inwerkingtreding van de Tijdelijke richtlijn en dat daarbij toepassing was gegeven aan de hiervoor bedoelde uitzonderingsmogelijkheid. Datzelfde geldt voor het beroep op het gelijkheidsbeginsel. Ook ten aanzien van de door appellant genoemde collega’s aan wie wel na minder dan 3 jaar looptijd in de rang van adjudant een luitenantfunctie is toegewezen geldt, dat deze functietoewijzingen hebben plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van de Tijdelijke richtlijn.

4.Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en T. van Peijpe als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2009.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

BvW