Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2109

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-10-2009
Datum publicatie
05-11-2009
Zaaknummer
08-7123 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval kan niet worden gezegd dat het College niet in redelijkheid heeft kunnen beslissen om betrokkene niet (alsnog) in de plaatsings- en selectieprocedure op te nemen. Met betrokkene was immers, met instemming van beide partijen, een bemiddelingstraject gestart, gericht op het vinden van een functie buiten de dienst. Dit kan worden beschouwd als individueel maatwerk, waarvan in het Bemensingsplan sprake is. Anders dan de rechtbank overwoog, is betrokkene dus niet tussen wal en schip gevallen. Omdat betrokkene vervolgens niet op een coöperatieve manier meewerkte aan het externe bemiddelingstraject, heeft appellant zich - naar het oordeel van de Raad op goede gronden - bevoegd geacht aan hem ontslag te verlenen. Onder deze omstandigheden was het niet meer aangewezen om betrokkene (alsnog) in de procedure tot plaatsing bij de DWI op te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/7123 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 november 2008, 08/1837 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 29 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A. Boes-Kouwenoord en J. Kuiper, beiden werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W. Waardenburg, advocaat te Zoetermeer.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst voor de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden in de eerste plaats naar wat de Raad onder de overwegingen heeft opgenomen in de heden tussen partijen gewezen uitspraak met registratienummer 07/6312. Hieraan voegt de Raad de volgende feiten en omstandigheden toe.

1.1. De Sociale Dienst van de gemeente Amsterdam (SDA), waar betrokkene werkzaam was, is met ingang van 1 januari 2006 opgevolgd door de nieuwe organisatie Dienst Werk en Inkomen (DWI). In het kader van deze reorganisatie is het zogenaamde ‘Bemensings-plan DWI’ van 12 april 2005 (hierna: Bemensingsplan) opgesteld. In het Bemensingsplan staat onder meer beschreven dat bij arbeidsongeschiktheid van de betrokken medewerker, individueel maatwerk nodig is.

1.2. Op 31 mei 2006 heeft betrokkene aan appellant gevraagd om hem alsnog te betrekken bij de bemensingsprocedure van de DWI.

Bij besluit van 29 september 2006 heeft appellant betrokkene meegedeeld dat betrokkene niet is meegenomen in de plaatsingsprocedure omdat hij arbeidsongeschikt was voor zijn eigen werk en er een re-integratie traject liep en daarom ook niet is geplaatst in de DWI op 1 januari 2006. Betrokkene heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In het bestreden besluit van 1 april 2008 heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat appellant uit een oogpunt van zorgvuldigheid, alsnog had moeten onderzoeken of betrokkene kon worden geplaatst in een functie bij de DWI.

3. Onder verwijzing naar wat de Raad in zijn uitspraak met registratienummer 07/6312 onder 4.1. en 4.2. heeft overwogen, volstaat de Raad in het onderhavige geschil met het volgende.

3.1. Gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval kan niet worden gezegd dat appellant niet in redelijkheid heeft kunnen beslissen om betrokkene niet (alsnog) in de plaatsings- en selectieprocedure op te nemen. Met betrokkene was immers, met instemming van beide partijen, een bemiddelingstraject gestart, gericht op het vinden van een functie buiten de dienst. Dit kan worden beschouwd als individueel maatwerk, waarvan in het Bemensingsplan sprake is. Anders dan de rechtbank overwoog, is betrokkene dus niet tussen wal en schip gevallen. Omdat betrokkene vervolgens niet op een coöperatieve manier meewerkte aan het externe bemiddelingstraject, heeft appellant zich - naar het oordeel van de Raad op goede gronden - bevoegd geacht aan hem ontslag te verlenen. Onder deze omstandigheden was het niet meer aangewezen om betrokkene (alsnog) in de procedure tot plaatsing bij de DWI op te nemen.

3.2. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het door betrokkene tegen het besluit van 1 april 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaren.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 1 april 2008 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2009.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

HD