Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2106

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
05-11-2009
Zaaknummer
07-5705 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Met betrekking tot de gestelde noodzaak van een urenbeperking is de Raad van oordeel dat het Uwv in het onderhavige geval genoegzaam heeft gemotiveerd waarom een urenbeperking niet is geïndiceerd. De Raad heeft voorts, evenmin als de rechtbank, aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellant met inachtneming van de voor hem vastgestelde beperkingen ten tijde hier in geding niet in staat was zijn eigen werk te verrichten. Volgens vaste jurisprudentie – zie de uitspraak van de Raad van 18 december 1998, LJN ZB8069 (gepubliceerd in USZ 1999/48) – rechtvaardigt geschiktheid voor eigen werk in beginsel de vooronderstelling dat van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO geen sprake is. Dit is slechts anders indien dit werk niet meer voorhanden is en zich in het concrete geval bijzondere omstandigheden voordoen welke de juistheid van die vooronderstelling aantasten. Daarvan is in dit geval geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/5705 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 20 augustus 2007, 06/4116 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 4 september 2009 heeft appellant nadere stukken ingediend waarop van de zijde van het Uwv is gereageerd met een rapport van de bezwaarverzekeringsarts E.J.M. van Paridon van 15 september 2009.

Bij faxbericht van 23 september 2009 heeft appellant gereageerd op laatstvermeld rapport.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant was werkzaam als senior technisch medewerker bouwkunde, toen hij op 7 september 1998 is uitgevallen met rugklachten na een hem overkomen ongeluk. Appellant is door een rechtsvoorganger van het Uwv met ingang van 26 juli 1999 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Met ingang van 1 juli 2004 is aan appellant eervol ontslag verleend; per diezelfde datum is appellant voor 19 uur per week herplaatst in de eigen functie.

1.3. In het kader van een herbeoordeling in verband met het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit heeft de arts J. Broux appellant gezien tijdens een spreekuurcontact. In zijn rapport van 13 maart 2006 heeft deze arts geconcludeerd dat appellant is aangewezen op rugsparend werk met mogelijkheid tot vertreden. Broux legde zijn bevindingen vast in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 14 maart 2006. Met inachtneming hiervan heeft de arbeidsdeskundige G. Mulders in zijn rapport van 6 april 2006 geconcludeerd dat appellant geschikt was te achten voor zijn eigen werk. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 19 april 2006 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 20 juni 2006 ingetrokken.

1.4. In de bezwaarprocedure hebben de bezwaarverzekeringsartsen I.F.D. van den Bold en S.N. van Erk-Raes gerapporteerd. Na informatie te hebben verkregen uit de behandelend sector (revalidatiearts), is Van Erk-Raes in haar rapport van 25 augustus 2006 tot de slotsom gekomen dat de belastbaarheid van appellant, zoals weergegeven in de FML van 14 maart 2006, niet is overschat. Bij besluit van 4 september 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 april 2006 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich met zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen.

3. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat zijn lichamelijke klachten niet voldoende zijn weergegeven in de FML van 14 maart 2006 en dat er ten onrechte niet langer een urenbeperking is opgenomen. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat hij al jaren halve dagen werkt en in de middag rust, opdat hij de volgende dag in staat is weer een halve dag te werken. Appellant heeft enkele malen geprobeerd het aantal uren dat hij werkzaam is uit te breiden. Dit bleek echter keer op keer niet haalbaar. Een intensieve, acht maanden durende, training bij Revalidatiecentrum Blixembosch te Eindhoven heeft evenmin tot verbetering geleid.

4. Het Uwv heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5. Oordeel van de Raad.

5.1. De Raad stelt voorop dat hij het rapport van de bezwaarverzekeringsarts Van Paridon van 15 september 2009 in zijn oordeelsvorming zal betrekken. Weliswaar is dit rapport binnen de in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedoelde termijn ingezonden, maar het rapport is een, op verzoek van de Raad gegeven, reactie op de kort voor die termijn door appellant ingezonden nadere (medische) stukken. Gelet op de aard en omvang van de faxbrief van 23 september 2009 van appellant bestaat er evenmin aanleiding dat stuk buiten beschouwing te laten.

5.2. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit en onderschrijft de aan de aangevallen uitspraak ten grondslag liggende overwegingen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Met betrekking tot de gestelde noodzaak van een urenbeperking is de Raad van oordeel dat het Uwv in het onderhavige geval genoegzaam heeft gemotiveerd waarom een urenbeperking niet is geïndiceerd. Appellant heeft zijn grieven met name gebaseerd op de praktijksituatie. Voor zover er in de in hoger beroep ingebrachte medische verklaringen al uitspraken worden gedaan over de belastbaarheid van appellant zijn deze veeleer tot stand gekomen op geleide van de door appellant beschreven klachten, zonder dat in voldoende mate is gebleken dat de eventueel daaruit volgende beperkingen, zoveel als mogelijk is, naar de in artikel 18 van de WAO neergelegde norm objectief zijn vastgesteld. Aan de eigen, niet met medische gegevens onderbouwde, mening van appellant met betrekking tot zijn gezondheidstoestand kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat appellant daaraan gehecht wenst te zien.

5.3. De Raad heeft voorts, evenmin als de rechtbank, aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellant met inachtneming van de voor hem vastgestelde beperkingen ten tijde hier in geding niet in staat was zijn eigen werk te verrichten. In dit verband kan de Raad er niet aan voorbij zien dat appellant zijn eigen werk ten overstaan van de arbeidsdeskundige Mulders heeft beschreven als een baan met voldoende afwisseling, die fysiek niet te zwaar is en ruime mogelijkheden kent om het werk naar eigen inzicht in te delen. De Raad is dan ook van oordeel dat appellant terecht in staat is geacht de eigen werkzaamheden als senior technisch medewerker bouwkunde in volle omvang te verrichten.

5.4. Volgens vaste jurisprudentie – zie de uitspraak van de Raad van 18 december 1998, LJN ZB8069 (gepubliceerd in USZ 1999/48) – rechtvaardigt geschiktheid voor eigen werk in beginsel de vooronderstelling dat van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO geen sprake is. Dit is slechts anders indien dit werk niet meer voorhanden is en zich in het concrete geval bijzondere omstandigheden voordoen welke de juistheid van die vooronderstelling aantasten. Daarvan is in dit geval geen sprake.

5.5. Uit het onder 5.1 tot en met 5.4 overwogene vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.R.A. van Raaij.

TM