Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2095

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
05-11-2009
Zaaknummer
08-6542 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

intrekking WAO-uitkering. De Raad verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 november 2005, LJN AU5383. Van een nauwe verwevenheid is naar het oordeel van de Raad in dit geval echter geen sprake. Bij het arbeidskundig onderzoek, in het bijzonder bij de selectie van de aan de schatting ten grondslag te leggen functies, is immers de bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek vastgestelde FML een vaststaand gegeven. De Raad is evenmin gebleken van een situatie dat er nieuwe medische gegevens naar voren zijn gekomen die een ander licht werpen op de gezondheidstoestand van appellant zoals beoordeeld bij de uitspraak van 24 april 2007. De Raad is, evenals de rechtbank, niet gebleken dat het bestreden besluit op een onjuiste arbeidskundige grondslag rust. De bezwaararbeidsdeskundige H.J. van Heun heeft in zijn rapportage van 14 augustus 2008 genoegzaam uiteengezet dat de aan appellant voorgehouden functies ‘wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur’ en ‘productiemedewerker industrie, samenstellen van producten’ zich voldoende van elkaar onderscheiden om ze in verschillende sbc-codes onder te brengen. De enkele stelling van appellant dat de functies niet tenminste 65% van elkaar verschillen, is niet nader door hem onderbouwd, reeds daarom passeert de Raad deze grief. Het beroep van appellant op artikel 1 van het Eerste Protocol slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/6542 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 oktober 2008, 07/1715 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.A. van der Kleij, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 21 januari 2009 is namens appellant een stuk in geding gebracht, waarop door het Uwv bij brief van 27 januari 2009 is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2009. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van der Kleij, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.S. de Vries.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 22 augustus 2006, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 20 oktober 2006, heeft het Uwv appellant bericht dat zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ingaande 23 oktober 2006 wordt ingetrokken, omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt is.

2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 24 april 2007 het tegen het besluit van 20 oktober 2006 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 augustus 2006. De rechtbank heeft bij die uitspraak overwogen dat zij geen reden ziet om de medische grondslag van het besluit van 20 oktober 2006 voor onjuist te houden. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van dat besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat deze een voldoende draagkrachtige motivering ontbeert ten aanzien van de geschiktheid in medisch opzicht van de bij de onderhavige schatting gebruikte functies.

3. Bij besluit van 27 augustus 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 augustus 2006 wederom ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt het rapport van bezwaararbeidsdeskundige J.R. Henninger van 27 juli 2007 ten grondslag, waarin hij de passendheid van de functies in medisch opzicht van een nadere toelichting heeft voorzien. Henninger heeft vervolgens vastgesteld dat er voldoende functies resteren die berekend zijn voor de belastbaarheid van appellant zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 15 februari 2006. Vergelijking van de mediane loonwaarde van deze functies met het voor appellant geldende maatmaninkomen resulteert in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft erop gewezen dat de in de FML van 15 februari 2006 neergelegde belastbaarheid niet ter discussie staat, nu zij bij haar uitspraak van 24 april 2007 de medische grondslag van het besluit van 20 oktober 2006 heeft onderschreven en appellant tegen die uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan en dat de intrekking van de WAO-uitkering van appellant zich verdraagt met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

5. Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. De rechtbank had naar de mening van appellant de medische gronden van zijn beroep inhoudelijk moeten toetsen. Appellant heeft erop gewezen dat de rechtbank bij haar uitspraak van 24 april 2007 het besluit van 20 oktober 2006 volledig heeft vernietigd, waardoor de medische grondslag van dat besluit niet langer vast stond. Verder heeft appellant gewezen op de onlosmakelijke samenhang tussen de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De in beroep in geding gebrachte (nieuwe) medische informatie had aanleiding moeten geven de medische grondslag aan te vullen. Appellant heeft voorts aangevoerd dat het Uwv - bij brief van 2 mei 2007 en een eerder telefoongesprek - bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zijn aanspraken op grond van de WAO opnieuw zouden worden beoordeeld. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft appellant nogmaals gesteld dat de aan hem voorgehouden functies ‘wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur’ (sbc-code 267050) en ‘productiemedewerker industrie, samenstellen van producten’ (sbc-code 111180) onvoldoende zelfstandige betekenis hebben om ze in verschillende sbc-codes onder te brengen. De rechtbank heeft naar de mening van appellant ten onrechte geoordeeld dat de intrekking van zijn WAO-uitkering zich verdraagt met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

6.1. Met betrekking tot de grief van appellant in hoger beroep dat de rechtbank zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de beroepsgronden met betrekking tot de medische beperkingen niet aan de orde kunnen komen, overweegt de Raad als volgt.

6.2.1. In de uitspraak van de rechtbank van 24 april 2007 zijn de beroepsgronden van appellant met betrekking tot de medische grondslag van het besluit van 20 oktober 2006 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Dit betekent dat, nu appellant tegen deze uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, volgens vaste rechtspraak van de Raad - verwezen wordt naar bijvoorbeeld de uitspraak van 1 maart 2005, LJN AT0711 - van de juistheid van die grondslag moet worden uitgegaan en dat die beroepsgronden in deze procedure thans niet meer aan de orde kunnen komen. De omstandigheid dat bij de uitspraak van de rechtbank van 24 april 2007 het besluit van 20 oktober 2006 geheel is vernietigd, maakt dit niet anders. De Raad voegt daar, in algemene zin, aan toe dat een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen beroepsgrond in een tweede procedure wèl opnieuw aan de orde kan komen als sprake is van nauwe verwevenheid tussen een of meer beroepgronden die in de tweede procedure zijn aangevoerd en die wèl door de rechter moeten worden beoordeeld, en de in de eerste procedure uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen beroepsgrond. De Raad verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 november 2005, LJN AU5383. Van een nauwe verwevenheid is naar het oordeel van de Raad in dit geval echter geen sprake. Bij het arbeidskundig onderzoek, in het bijzonder bij de selectie van de aan de schatting ten grondslag te leggen functies, is immers de bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek vastgestelde FML een vaststaand gegeven.

6.2.2. De Raad is evenmin gebleken van een situatie dat er nieuwe medische gegevens naar voren zijn gekomen die een ander licht werpen op de gezondheidstoestand van appellant zoals beoordeeld bij de uitspraak van 24 april 2007.

6.3. Met betrekking tot het beroep van appellant op het gewekt vertrouwen dat het Uwv ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 24 april 2007 zijn aanspraken op een WAO-uitkering geheel opnieuw zou gaan beoordelen, overweegt de Raad als volgt. Uit de aan appellant gerichte brief van 2 mei 2007 blijkt niet van een ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging door het Uwv dat een medische beoordeling zal worden verricht. Het Uwv heeft in die brief slechts aangegeven dat alvorens ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank - waarbij de medische gronden van appellant zijn verworpen - een nieuw besluit kan worden genomen een arbeidskundig beoordeling moet plaatsvinden. Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel slaagt derhalve niet. De Raad merkt overigens op dat appellant na ontvangst van de brief van 2 mei 2007 nog ruimschoots de tijd had om hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van de rechtbank van 24 april 2007, hetgeen hij niet heeft gedaan.

6.4. De Raad is, evenals de rechtbank, niet gebleken dat het bestreden besluit op een onjuiste arbeidskundige grondslag rust. De bezwaararbeidsdeskundige H.J. van Heun heeft in zijn rapportage van 14 augustus 2008 genoegzaam uiteengezet dat de aan appellant voorgehouden functies ‘wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur’ en ‘productiemedewerker industrie, samenstellen van producten’ zich voldoende van elkaar onderscheiden om ze in verschillende sbc-codes onder te brengen. De enkele stelling van appellant dat de functies niet tenminste 65% van elkaar verschillen, is niet nader door hem onderbouwd, reeds daarom passeert de Raad deze grief.

6.5. Met betrekking tot het beroep van appellant op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM overweegt de Raad, onder verwijzing naar hetgeen hij heeft overwogen in zijn uitspraak van 10 juli 2008 LJN BD8561, dat de gevolgen van de toepassing van het Schattingsbesluit 2004 zoals toegelicht door appellant ter zitting - namelijk dat hij aangewezen is op bijstand en hij er € 100,- op is achteruitgegaan - niet zijn aan te merken als “individual and excessive burden’’.

7. Uit hetgeen is overwogen onder 6.1 tot en met 6.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

8. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en A.A.H. Schifferstein als leden in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL